HOMELife & WorksAbout the SocietyMemberhip & DonationsPublications Events  •  Links

Morris, William. "De Doeleinden der Kunst [The Aims of Art]." Kunst en Maatschappij [Art and Society]. Trans M. Hugenholtz-Zeeven. Introd. Henri Polak. 2nd ed. Rotterdam [Brusse]: Nieuwe Uitgave, 1905. 137-159.

[This document has been edited and proofread for online publication by Lieske Tibbe.]

         Wanneer ik nadenk over de Doeleinden der Kunst, dat wil zeggen, waarom de menschen met moeite de Kunst aankweeken en beoefenen, dan zie ik mij genoodzaakt te generaliseeren naar het eenige voorbeeld der Menschheid waarvan ik iets weet, dat is: mijzelf. Wanneer ik nu naga, wat het is dat ik verlang, dan kan ik dat geen anderen naam geven dan geluk. Ik heb behoefte gelukkig te zijn, zoolang ik leef; want wat doodzijn betreft, zoo kan ik mij, daar ik het nooit ondervond, geen voorstelling maken van wat het eigenlijk is en kan dus niet eens mijn geest er toebrengen, zich er mee bezig te houden.

         Ik weet wat het is te leven; ik kan zelfs niet vermoeden, wat het is om dood te zijn. Dus: ik verlang om gelukkig te zijn, en zelfs om soms, laat ons zeggen gewoonlijk, vroolijk te zijn; en het schijnt mij moeilijk te gelooven, dat dit niet de algemeene wensch zou zijn: zoodat ik alles, wat maar tot dit doel kan leiden, maar mijn beste krachten aankweek.

         [138] Wanneer ik nu verder mijn leven naga, dan vind ik, of schijn te vinden, dat het staat onder den invloed van twee overheerschende neigingen, die ik bij gebrek aan betere woorden moet noemen: de lust om te handelen en de lust om lui te zijn: van deze twee neigingen roept nu eens de één dan de ander luide in mij om voldaan te worden. Wanneer de lust om te handelen over mij komt, moet ik iets doen, of ik word verdrietig en ongelukkig; wanneer de lust tot lui-zijn mij beheerscht, vind ik het waarlijk hard, wanneer ik niet kan rusten en mijn geest laten dwalen over de verschillende beelden, ‘t zij aangename of schrikwekkende, die mijn eigen ondervinding en mijn verkeeren met de gedachten van anderen--dooden of levenden--erin gevormd hebben. En wanneer de omstandigheden mij niet veroorloven aan die neiging tot lui-zijn te voldoen, dan moet ik op zijn minst door een tijdperk van smart heen, tot ik het kan klaarspelen mijn lust om te handelen aan te zetten de plaats ervan in te nemen en mij weer gelukkig te maken.

         En wanneer ik de middelen niet vind om dien lust tot handelen op te wekken zijn plicht te doen door mij tevreden te maken, en ik dus moet zwoegen, terwijl de lust om lui te zijn mij beheerscht, dan ben ik diep ongelukkig en wensch bijna mijzelf dood, al weet ik niet wat dat is.

         Verder merk ik, dat gedurende den lust tot ledig-zijn herinnering mij bezig houdt, terwijl gedurende den lust om te handelen de hoop mij opbeurt, dat die hoop soms groot en diep en soms onbeduidend is, maar dat bij gebrek er aan geen gelukkig arbeiden bestaat: ook vind ik, dat ik soms aan dien lust kan voldoen door hem te gebruiken bij werk dat geen resultaat heeft verder dan het oogenblik--n.l. bij spel--maar dat hij daar toch spoedig genoeg van krijgt en begint te [139] verflauwen, omdat de hoop daarbij te nietig, soms zelfs nauwelijks werkelijk is. Om in het algemeen aan mijn meester, den lust, te voldoen, moet ik òf iets maken, òf doen of ik iets maak. Welnu, ik geloof, dat het leven van alle menschen is samengesteld uit deze twee neigingen in verschillende verhoudingen en dat dit verklaart, waarom zij altijd, met meer of minder moeite, de Kunst hebben liefgehad en uitgeoefend. Waarom zouden zij haar anders hebben aangeraakt en zoo nog meer gevoegd hebben bij het werk, dat ze niet konden laten te doen om te leven? Het moet voor hun eigen genoegen geweest zijn, want alleen in vergevorderde beschavingstijd- perken kwam het voor, dat iemand andere menschen kon vinden, die hem in ‘t leven hielden, alléén met ‘t doel om kunstwerken voort te brengen. En alle menschen, die éénige sporen van hun bestaan hebben achtergelaten, hebben de kunst uitgeoefend.

         Ik veronderstel toch, dat niemand zal willen ontkennen, dat het doel, dat men zich stelt bij het maken van een kunstwerk, is: den persoon te behagen, wiens zintui-gen er kennis van moeten nemen. Het wordt gemaakt voor iemand, die er gelukkiger door moet worden; in zijne neiging tot rusten moet hij er aangenaam door worden beziggehouden, zoodat inplaats van onvoldaanheid--het dreigende gevaar in die stemming--kan treden een beschouwen vol voldoening, aangename droomerij, of wat gij maar wilt. En daardoor zal hij niet zoo spoedig teruggedreven worden naar den drang tot werken of handelen: hij zal meer en beter genot hebben. Het bedwingen van rusteloosheid dus is duidelijk één van de wezenlijkste doeleinden der kunst en er is weinig dat meer tot het levensgenot zou kunnen bijdragen. Er zijn, voor zoover ik weet, thans zeer begaafde menschen, die geen ander gebrek hebben dan dat [140] van rusteloosheid en schijnbaar geen anderen vloek op hun leven, om hen ongelukkig te maken. Maar dat is voldoende: het is "the little rift within the lute" (de kleine barst in de luit). Maar toegegeven, zooals gij, denk ik, allen zult doen, dat dit eene hoogst belangrijke functie is, die de kunst moet vervullen, dan komt toch dadelijk de vraag: tot welken prijs verkrijgen wij die? Ik heb erkend, dat het uitoefenen van kunst den arbeid van het menschdom vermeerderd heeft, hoewel ik niet inzie, dat dat op den langen duur het geval behoeft te zijn; maar heeft het door den arbeid van den mensch te vermeerderen, ook zijn last doen toenemen? Er zijn altijd lieden geweest, die dadelijk die vraag met "ja" zouden beantwoorden, zoodat er geweest zijn en nog zijn twee soorten van menschen, die de kunst haten en verachten als eene overbodige dwaasheid.

         Behalve de vrome asceten, die haar beschouwen als een wereldschen valstrik, die de menschen verhindert hun geest gericht te houden op de kansen van persoonlijke gelukzaligheid of verderf in een volgende wereld; die, in één woord de Kunst haten, omdat zij volgens hen bijdraagt tot ‘s menschen geluk op aarde,--behalve dezen zijn er ook lieden, die, den strijd des levens beschouwend van het verstandigste standpunt dat zij kennen, de kunsten veroordeelen in de meening dat deze bijdragen tot ‘s menschen slavernij, door het totaal van zijn moeizamen arbeid nog te vergrooten. En al ware dat zoo, dan zou het voor mij nog de vraag zijn, of het niet de moeite waard is dien extra-arbeid te verdragen, terwille van het extra-genot, dat men in den rusttijd heeft; aannemende voor het oogenblik gelijkheid van levensomstandigheden onder de menschen. Maar mij schijnt het, dat het niet waar is, dat uitoefening van kunst het moeitevolle van den arbeid vermeer-[141]dert; neen, meer : ik geloof, dat, indien het dat deed, de kunst nooit zou zijn ontstaan en zeker niet te vinden zou zijn--zooals toch het geval is--bij die volken, waarbij slechts de eerste beginselen van beschaving bestaan.

         Met andere woorden: ik geloof, dat Kunst niet kan zijn het gevolg van drang van buiten af; de arbeid, noodig om haar tot stand te brengen, is vrijwillig ondernomen en gedeeltelijk ter wille van den arbeid zelf, gedeeltelijk ter wille van de hoop iets voort te brengen, dat, voleindigd, genot zal verschaffen aan den gebruiker. Dus, nog eens : deze extra-arbeid, wanneer hij extra is, wordt begonnen met het doel om, voldoende aan den lust om te handelen, dezen te gebruiken tot het voortbrengen van iets, dat de moeite waard is, en dat daardoor een levendige hoop wakker houdt in den arbeider, terwijl hij er mee bezig is; en ook om hem zulk werk te laten doen, waarin een oogenblikkelijk en onmiddellijk genot ligt. Misschien is het bezwaarlijk om aan het niet-artistiek vermogen duidelijk te maken, dat dit volstrekt zintuigelijk genot altijd aanwezig is bij het handwerk van den vaardigen werkman, wanneer hij met succes arbeidt, en dat het toeneemt naar mate van de vrijheid en persoonlijkheid van het werk.

         Ook moet gij wel begrijpen, dat het voortbrengen van kunst en het daaruit volgend genot in het werk zich niet bepalen tot het produceeren van kunstwerken als alleen schilderijen, beelden, enz., maar dat het is en moet zijn een deel van allen arbeid, in welken vorm ook: dan alleen zal aan de eischen van den drang tot handelen voldaan worden.

         Daarom: het Doel der Kunst is het geluk der menschen te vermeerderen door hun schoonheid en afwisseling te geven, om in hun vrijen tijd te genieten, en hen te [142] beletten genoeg te krijgen zelfs van de rust, en hun hoop en lichamelijk genot in hun werk te geven, of kort gezegd: ‘s menschen arbeid gelukkig en zijn rusttijd vruchtbaar te maken.

         Daaruit volgt, dat echte Kunst een ongemengde Zegen voor het menschdom is.

         Maar daar het woord "echt" eene zeer veelomvattende beteekenis heeft, moet ik zoo vrij zijn eenige praktische gevolgen uit deze bewering omtrent het Doel der Kunst te trekken, die, naar ik geloof en zelfs hoop, ons tot eene strijdvraag zullen voeren; tevergeefs toch zou men [ver-]verwachten dat iemand, die over Kunst anders dan op de meest oppervlakkige wijze spreekt, niet die sociale vraagstukken moet tegenkomen, waarover alle ernstige menschen nadenken. Want Kunst is en moet zijn, ‘t zij in haar overvloed of dorheid, in haar waarheid of holheid, de uitdrukking van de maatschappij waarin zij leeft.

         In de eerste plaats dan is het mij duidelijk, dat in den tegenwoordigen tijd zij, die het best en diepst in de dingen zien, geheel onbevredigd zijn met den huidigen toestand der Kunsten, evenals zij het zijn met den tegenwoordigen toestand der maatschappij. Dit zeg ik in ‘t aangezicht van de veronderstelde herleving der Kunst, die de laatste jaren plaats heeft; waarlijk, die opwinding over de Kunst bij een deel der hedendaagsche beschaafden toont slechts, op hoe vast een grondslag de bovengenoemde ontevredenheid rust. Veertig jaar geleden werd er veel minder over Kunst gepraat en werd zij veel minder beoefend dan nu; en dat is vooral waar van architecturale Kunst, waarover ik nu vooral zal moeten spreken. De menschen hebben met overtuiging sinds dien tijd getracht, om het doode in de Kunst te doen herleven, en met eenig oppervlakkig welslagen. En toch [143] moet ik trots deze overtuigde pogingen verklaren, dat Engeland voor iemand, die schoonheid kan voelen en begrijpen, toentertijd een minder droeve plaats was om te leven dan het nu is; en wij, die voelen wat Kunst is, weten heel goed—al durven wij het niet vaak zeggen--dat over veertig jaar het een nog droever plaats zal zijn dan het nu is, als wij nog steeds den weg blijven volgen dien wij nu gaan.

         Minder dan veertig jaar geleden--dertig ongeveer--zag ik voor ‘t eerst de stad Rouaan, toen in haar uiterlijk aanzien nog een stuk middeleeuwen; geen woorden kunnen uitdrukken, hoe die vereeniging van schoonheid, geschiedenis en romantiek mij aangreep; ik kan alleen zeggen, dat ik, terugziende op mijn leven, dat genot het grootste vind, dat ik ooit gesmaakt heb. En nu is het een genot, dat niemand ooit meer kan smaken; het is voor altijd voor de wereld verloren. Toentertijd was ik student te Oxford. Hoewel niet zoo verbazingwekkend, zoo romantisch of op den eersten blik zoo middeleeuwsch als de Normandische stad, zoo had Oxford in die dagen toch nog een groot deel van haar vroegere schoonheid; en de herinnering aan haar grijze straten, zooals ze toen waren, is een blijvende invloed en een blijvend genot in mijn leven geweest en zouden dat nog méér zijn, als ik maar kon vergeten hoe het nu is--in ieder geval eene zaak van veel meer gewicht voor mij dan de zoogenaamde geleerdheid van de plaats ooit kon geweest zijn, maar die feitelijk niemand mij trachtte duidelijk te maken en ik niet trachtte te leeren. Sints dien hebben de bewakers van deze voor de opvoeding zoo vruchtbare schoonheid en romantiek, hoewel zij beroepshalve zich bezighouden met de "hoogere opvoeding" (zooals de spotnaam voor het oppervlakkige systeem van schipperen is, dat zij volgen), deze schoon-[144]heid totaal voorbij gezien, hebben toegelaten, dat hare instandhouding week voor den drang der handelseischen, en zijn klaarblijkelijk besloten haar geheel te verwoesten. Alweer een genot voor de wereld verloren gegaan; hier zijn nogmaals schoonheid en romantiek doelloos, zonder oorzaak, op de meest dwaze wijze vergooid.

         Deze twee gevallen geef ik alleen omdat zij in mijn geest zijn geprent, maar het zijn slechts voorbeelden van wat overal in de beschaafde wereld gebeurt; de aarde wordt overal leelijker en meer alledaagsch, trots de overtuigde en ijverige pogingen van een klein groepje menschen voor de herleving der Kunst, welke pogingen zich zoo blijkbaar niet voegen in de richting der eeuw, dat de onontwikkelden er niet eens van gehoord hebben, terwijl de massa der ontwikkelden ze als een grap be-schouwen, en zelfs daarvan krijgen zij nu genoeg.

         Welnu, als het waar is, zooals ik beweerd heb, dat echte kunst een ongemengde zegen voor de wereld is, dan is dat alles een ernstige zaak; want op den eersten blik schijnt het te bewijzen, dat er spoedig heelemaal geen kunst meer zal zijn op de wereld, die daardoor een ongemengden zegen zal missen en dat kan zij moeilijk doen, dunkt mij.

         Want moet de Kunst sterven, dan is dat omdat zij versleten is en haar doel zal een vergeten iets zijn. En haar doel was den arbeid gelukkig, den rusttijd vruchtbaar te maken. Moet dan alle arbeid ongelukkig, alle rust onvruchtbaar worden? Wanneer de Kunst sterven moet, ja, dan zal dat werkelijk het geval zijn, tenzij iets anders hare plaats komt innemen, iets tot nu toe ongenoemds, ongedroomds.

         Ik voor mij geloof niet, dat iets de plaats der Kunst zal innemen, niet omdat ik twijfel aan de vindingrijkheid [145] van den mensch, die grenzenloos schijnt te zijn, waar het geldt zichzelf ongelukkig te maken ; maar omdat ik den oorsprong der Kunst in den menschelijken geest voor onsterfelijk houd en ook omdat het mij gemakkelijk schijnt de oorzaken van het tegenwoordige verval der Kunst te ontdekken. Want wij, beschaafden, hebben haar niet bewust of uit eigen vrije beweging opgegeven: wij zijn gedwongen geworden haar op te geven. Misschien kan ik dat duidelijk maken door het uiteenzetten van het gebruik der machine voor het vervaardigen van voorwerpen, waarbij eene kunstvolle vorm op eenigerlei wijze mogelijk is. Waarom gebruikt een verstandig mensch eene machine? Zonder twijfel om arbeid te sparen. Er zijn enkele dingen, die een machine evengoed kan doen als de hand van een man met een werktuig. Hij behoeft b.v. het koren niet in een handmolen te malen; een beetje stroomend water, een rad en eenige eenvoudige kunstgrepen zullen het tezamen volmaakt goed doen en den man vrijheid laten zijn pijp te rooken en na te denken of het heft van zijn mes te besnijden. Tot zooverre is er dus zuivere winst bij het gebruik der machine--altijd, let daar wel op, aangenomen gelijkheid van levensomstandigheden onder de menschen. Geen kunst gaat verloren, en vrije tijd of tijd voor aangenamer werk wordt gewonnen. Misschien zou een volkomen verstandig en vrij man hier ophouden met het gebruiken van machines; maar zóóveel verstand en vrijheid kan men niet verwachten: laten wij dus den machineuitvinder een stap verder volgen. Hij moet eenvoudig laken weven en vindt dat eenerzijds vervelend om te doen, terwijl hij anderzijds ziet, dat een mechanisch weefgetouw het laken bijna even goed als een handweefgetouw maakt. Om dus meer vrijen tijd of gelegenheid voor aangenamer werk te krijgen, ge-[146] bruikt hij een mechanisch weefgetouw en doet afstand van het kleine voordeel van een weinig extra-kunst in het weefsel. Maar door dat te doen heeft hij, voor wat de kunst betreft, geen zuivere winst gemaakt; hij heeft eene overeenkomst gesloten tusschen kunst en arbeid en heeft als gevolg een redmiddeltje gevonden. Ik zeg niet, dat hij ongelijk heeft door zoo te handelen, maar wel, dat hij evengoed verloren als gewonnen heeft. Tot daartoe nu zou een verstandig man, die prijs stelt op kunst, op het gebied van machines gaan, zoo- lang hij vrij was, dat is niet gedwongen om voor het voordeel van een ander te werken; zoolang hij leefde in een wereld, die gelijkheid van levensomstandigheden had aangenomen. Gaat hij een stap verder met de machine, die voor kunst-doeleind gebruikt wordt, dan doet de man onverstandig, wanneer hij de kunst liefheeft en vrij is.

         Om misverstand te voorkomen, moet ik hier zeggen, dat ik de moderne machine op ‘t oog heb, die als iets levends is en waaraan de arbeider ondergeschikt is, en niet de oude machine, het verbeterde instrument, die ondergeschikt is aan den arbeider en alleen werkt zoolang zijne hand de denkende kracht is. Toch moet ik opmerken, dat zelfs deze eenvoudige vorm van machine ongebruikt moet blijven, wanneer wij tot de hoogere, meer ingewikkelde kunstvormen komen. Wat nu aan-gaat de eigenlijke machine, gebruikt voor kunst, wanneer deze komt boven het peil van een noodzakelijkheidsvoortbrengsel met toevallig eenige schoonheid erin, dan zal een verstandig mensch met gevoel voor kunst haar alléén gebruiken, wanneer hij er toe gedwongen is. Wanneer hij b.v. houdt van ornament en weet dat de machine het niet behoorlijk kan maken, terwijl hijzelf geen lust heeft den tijd ervoor te nemen om het goed te maken, waarom zou hij het dan heelemaal wel [147] doen? Hij zal zijn rusttijd niet verkorten om iets te maken dat hij niet noodig heeft, tenzij een mensch of eene verzameling van menschen hem daartoe dwingen; dus zal hij òf het zonder ornament doen, òf iets van zijn vrijen tijd opofferen om het goed te maken. Dat zal dan een bewijs zijn, dat hij er werkelijk behoefte aan heeft en het al zijn moeite waard is; in welk geval dan weer zijn arbeid niet enkel moeite zal zijn, maar hem zal bezighouden en genoegen geven door te voldoen aan zijn lust tot handelen.

         Zóó vind ik dat een verstandig man zou handelen, indien hij vrij ware van menschelijken dwang; daar hij dat niet is, doet hij anders. Hij is lang voorbij het stadium, waarin machines enkel gebruikt worden voor het werk dat het gros der menschen tegenstaat, of om te doen wat evengoed door eene machine als door een mensch kan worden gedaan, en hij verwacht instinctmatig dat er eene machine zal ontdekt worden, telkens wanneer eenig voortbrengsel der nijverheid veel gevraagd wordt. Hij is de slaaf der machine: de nieuwe machine moet uitgevonden worden en wanneer zij uitgevonden is, moet hij, ik kan niet zeggen haar gebruiken, maar door haar gebruikt worden, of hij wil of niet.

         Maar waarom is hij de slaaf der machine? Omdat hij de slaaf is van het stelsel voor welks bestaan de uitvinding der machine noodig was. En nu moet ik, of liever, heb ik reeds laten varen de veronderstelling van gelijkheid van levensomstandigheden, en herinner u eraan, dat, al zijn wij allen in zekeren zin de slaven der machine, sommige menschen dat onmiddellijk zijn, zonder eenige beeldspraak hoegenaamd, en wel juist diegenen, op wie het groote lichaam der toegepaste kunsten steunt, n.l. de arbeiders.

         Het is noodig voor het stelsel, dat hen in den toestand [148] van eene ondergeschikte klasse houdt, dat zij òf zelf machines, òf de dienaren der machines zijn; in geen geval mogen zij eenige belangstelling hebben in het werk dat zij uitvoeren. Voor hunne patroons zijn zij in hunne hoedanigheid van arbeiders een deel van de machinerie van werkplaats of fabriek, voor zichzelf zijn zij "proletariërs", menschelijke wezens die werken om te leven, opdat zij leven om te werken; hunne rol als handwerkslieden, als vervaardigers van voorwerpen uit eigen vrijen wil, is uitgespeeld.

         Op gevaar af van beschuldigd te worden van overgevoeligheid, moet ik erkennen, dat, waar dat alles zoo is, waar de arbeid, die de dingen voortbrengt welke voorwerpen van kunst behoorden te zijn, slechts last en slavernij is, ik mij tenminste hierin verheug, dat hij geen kunst kan produceeren, dat alles, wat hij voortbrengen kan, ligt tusschen het alleen-nuttige en zinnelooze namakerij.

         Of is dat wel overgevoeligheid? Eerder zou ik denken, dat wij, die het verband hebben leeren zien tusschen industrieele slavernij en achteruitgang der Kunsten, ook hebben geleerd te hopen op eene toekomst voor die Kunsten. Want de dag zal zeker komen, waarop de menschen het juk zullen afschudden en zullen weigeren om aan te nemen den geheel kunstmatigen dwang van de handelsmarkt, die hen hun leven in eindeloos en hopeloos zwoegen doet doorbrengen. En wanneer die dag komt, dan zal hun drang naar schoonheid en verbeelding, tegelijk ook vrij geworden, zulke kunst doen geboren worden als waaraan zij behoefte hebben. En wie kan zeggen, of die niet even ver de Kunst van vroegere eeuwen zal overtreffen, als deze de armzalige overblijfselen overtreft, ons gelaten door de eeuw van winstbejag ?

         [149] Een paar woorden over eene bedenking, die dikwijls tegen mij gemaakt is, wanneer ik over dit onderwerp sprak. Men zou kunnen zeggen, en heeft het ook gedaan: "Gij betreurt de kunst der middeleeuwen (wat ik werkelijk doe), maar zij, die haar voortbrachten, waren niet vrij. Zij waren lijfeigenen of gilde-handwerkslieden, omringd door de ijzeren muren van handelsbeperkingen ; zij hadden geene politieke rechten en werden. door hunne meesters, de kaste der edelen, op de droevigste wijze misbruikt."

         Welnu, ik geef geheel toe, dat de onderdrukking en gewelddadigheid der middeleeuwen hare uitwerking hadden op de kunst dier dagen; hare gebreken kunnen daaraan worden toegeschreven. Zij onderdrukten de kunst in zekere richtingen, daaraan twijfel ik niet en om die reden zeg ik, dat wij, wanneer wij de tegenwoordige onderdrukking afschudden, zooals wij het de oude deden, mogen verwachten, dat de kunst van de dagen der ware vrijheid zal stijgen boven die van de oude, gewelddadige tijden. Maar tegelijk zeg ik, dat het toen mogelijk was eene maatschappelijke, organische, veelbelovende en steeds toenemende kunst te hebben, terwijl de weinige kruimeltjes, die nu daarvan te vinden zijn, een gevolg zijn van persoonlijke, nuttelooze uitspanning en zuiver retrospectief en pessimistisch zijn. En die kunst vol hoop was mogelijk temidden van al de onderdrukking dier dagen, omdat de oorzaken dier onderdrukking zeer in ‘t oog vallend waren en buiten den arbeid van den handwerksman om gingen. Het waren wetten en gewoonten blijkbaar bestemd om hen te bestelen en openlijke gewelddadigheid op de manier van diefstal op den grooten weg.

         In één woord: de nijverheidsproductie was toen niet het middel gebruikt om de "mindere standen" te be-[150]stelen; het is nu het voornaamste middel bij dat eervolle bedrijf aangewend. De middeleeuwsche handwerksman was vrij in zijn werk; daarom maakte hij het voor zich zelf zoo aangenaam mogelijk en het was zijn lust en niet zijn leed, dat alle dingen, die gemaakt werden, mooi maakte en schatten van menschelijke hoop en gedachten besteedde aan alles wat de mensch voortbracht, van een kathedraal af tot een pappot toe. Kom, laten wij het voorstellen op eene wijze, die ‘t minst eerbiedig is .voor den middeleeuwschen arbeider en het beleefdst voor de hedendaagsche "werkkracht": van den armen drommel der veertiende eeuw was het werk van zóó luttel waarde, dat hij den tijd er op mocht verspillen om zich zelf--en anderen--genot te geven; maar van onzen strak gespannen werktuigkundige zijn de minuten te rijk beladen met voortdurende winst, dan dat één ervan zou kunnen verkwist worden. Het tegenwoordige systeem wil hem niet veroorloven en kan hem niet veroorloven voorwerpen van kunst te maken.

         Zoodat dit zeldzame verschijnsel zich voordoet, dat er nu eene klasse is van dames en heeren, die werkelijk zeer beschaafd zijn, hoewel misschien niet zóó ontwikkeld als algemeen geloofd wordt, en dat tot deze verfijnde klasse velen behooren, die waarlijk houden van schoonheid en afwisseling, d. i. kunst, en zich opofferingen zouden getroosten om haar te verkrijgen; en dezen, geleid door kunstenaars van groote technische bekwaamheid en fijn verstand, vormen gezamenlijk een groote macht van navraag naar het artikel. En toch komt de aanvoer niet.

         Ja, en wat meer zegt, deze groote massa van geestdriftige zoekers zijn maar geen arme, hulpelooze menschen, onwetende visschers of boeren, halfkrankzinnige mon-[151]niken, verwarde "sansculottes", kortom niet zij, door de uiting van wier behoeften de wereld reeds zoo dikwijls geschokt is en geschokt zal worden. Neen, zij behooren tot de heerschende klasse, de meesters der menschheid, die leven kunnen zonder arbeid en overvloedig vrijen tijd hebben, om over de vervulling hunner wenschen te peinzen. En toch, zooals ik zeide, kunnen zij de kunst, die zij zoo vurig begeeren, niet machtig worden, al jagen zij haar na door de geheele wereld, overgevoelig wordende over de armzalige levens van de ongelukkige boeren in Italië en de verhongerde proletariërs van zijne steden, nu alle schilderachtigheid verdwenen is bij de arme drommels van ons eigen platteland en oude eigen sloppen. Inderdaad: er is hun overal weinig van die werkelijkheid gelaten en dat weinige is nog snel aan het verdwijnen terwille van de behoeften van den fabrikant met zijn haveloozen stoet van werklieden en voor de geestdrift van den oudheidkundigen wederopbouwer van een dood verleden. Spoedig zal er niets meer over zijn dan de leugenachtige droomen der historie, het ellendige wrak van onze museums en schilderijenverzamelingen en de zorgzaam-bewaakte intérieurs onzer aesthetische ontvangkamers, onwerkelijk en dwaas en passende getuigen van het verdorven leven dat erin afspeelt: zoo bekrompen en armelijk en laf in het verbergen en ontkennen méér dan in het beteugelen der natuurlijke verlangens, hetgeen niet verhindert, dat men er gretig aan toegeeft, zoo het slechts fatsoenlijk verborgen kan blijven.

         De kunst is dus verdwenen en zij kan evenmin worden "gerestaureerd" in hare oude vormen als een middeleeuwsch gebouw dat kan. De rijken en verfijnden kunnen haar niet koopen, al zouden zij het verlangen, en wij willen gelooven, dat velen van hen dat werkelijk [152] doen. En waarom? Omdat diegenen die haar zouden kunnen geven aan de rijken door de rijken niet in de gelegenheid worden gesteld dat te doen. In één woord: slavernij ligt tusschen ons en de kunst.

         Ik heb gezegd dat het doel der kunst was te vernietigen den vloek van den arbeid door dezen te maken tot eene aangename voldoening aan onzen lust om te handelen en door aan dien lust te geven de hoop iets voort te brengen dat de moeite van den arbeid waard was.

         Nu wij dus de kunst niet kunnen vinden door te trachten naar hare bloot-oppervlakkige afspiegeling, daar wij zoodoende niets kunnen krijgen dan haar schijnbeeld, blijft ons nog over te zien, hoe het zou zijn als wij die schaduw aan zichzelf overlieten en trachtten zoo mogelijk het wezen vast te grijpen. Wat mij betreft, ik geloof dat, als wij ons duidelijk de doeleinden der kunst probeeren voor te stellen, zonder er ons mee te kwellen hoe het uitzien der kunst-zelf zal zijn, dat wij dan eindelijk zullen vinden wat wij noodig hebben: of dat dan àl of niet "kunst" moet heeten, het zal tenminste leven zijn en ten slotte is dat wat wij behoeven. Het is mogelijk, dat dit ons leidt tot nieuwe heerlijkheden en schoonheden van zichtbare kunst; tot bouwkunde van veelsoortige pracht, vrij van de eigenaardige onvolmaaktheden en gebreken van die, welke vroegere tijden hebben voortgebracht; tot schilderkunst, in zich vereenigd en de schoonheid die middeleeuwsche kunst be-reikte en het realisme waar moderne kunst naar streeft; tot beeldhouwkunst, die de schoonheid der Grieken en de volheid van uitdrukking der Renaissance met een andere, nu nog onontdekte eigenschap vereenigt, zoodat zij ons zal geven de beelden van mannen en vrouwen, prachtig van leven, en toch niet ongeschikt om een [153] bouwkunstig ornament te vormen, zooals alle ware beeldhouwkunst moet doen.

         Dat alles kàn zij volbrengen, maar aan den anderen kant kan zij ons leiden in de woestijn en de kunst zal dood schijnen in ons midden of zwak en onzeker strijden in een wereld, die geheel haar ouden roem zal hebben vergeten.

         Wat mij betreft, zooals de kunst nu is, is het mij onmolijk te denken, dat het er veel op aankomt, welk soort van lot haar wacht, zoolang er in ieder geval wat hoop blijft voor de toekomst; hier als bij andere zaken is er geen hoop dan door Revolutie. De vroegere kunst is niet langer vruchtbaar, geeft ons niet meer dan wat verfijnd poëtisch herdenken. Daar zij onvruchtbaar is, valt haar niets te doen dan te sterven, en de vraag op dit oogenblik is maar, hoe zij zal sterven, met of zonder hoop. Wat is het b. v. dat heeft vernield het Rouaan, het Oxford van mijn verfijnd-poëtische herinnering? Zijn zij vernietigd ten bate van het volk door een langzaam toegeven aan den groei van verstandige veranderingen en nieuw geluk, of zijn zij neergeveld als ‘t ware door de tragedie, die meestal een grootsche, nieuwe geboorte begeleidt? Niets van dat alles. Noch het nieuwe gemeenschapsgebouw noch dynamiet hebben hare schoonheid weggevaagd: hare vernietigers waren philanthropen noch socialisten, coöperators noch anarchisten. Zij zijn verkocht geworden en nog wel voor een kleinigheid, weggedrongen door de begeerlijkheid en het onverstand van dwazen, die niet weten wat leven en vreugde beteekenen, die deze zelf niet kunnen genieten, noch ze aan anderen laten genieten. Dat is het waarom het sterven dier schoonheid zooveel pijn doet. Geen mensch met verstand of gevoel zou het wagen zulk een verlies te betreuren, wanneer er voor betaald was met [154] nieuw leven en geluk voor het volk. Maar het volk staat nog dààr, zooals het van te voren stond: starende op het monster, dat al die schoonheid verwoestte en wiens naam Handelswinst is. Ik herhaal het : ieder restje van echte kunst zal door dezelfde handen vallen, als de dingen maar lang genoeg zoo doorgaan, al kan er een schijnkunst overblijven, die zeer goed beoefend kan worden door de heeren en dames dilettanten zonder eenige hulp van beneden af; en, om het maar eens rechtuit te zeggen: ik vrees, dat deze verslapte geest van het echte ding voldoening zou geven aan velen van hen, die zich verbeelden kunstliefhebbers te zijn. Toch is het niet moeilijk in gedachten een lange toekomst van haar verbastering te zien, totdat zij ten slotte niets dan een bespottelijk iets zal zijn, d.w.z. als de dingen zoo doorgingen, ik meen: als Kunst altijd zou moeten blijven een vermaak voor hen, die wij nu dames en heeren noemen.

         Maar ik voor mij geloof niet, dat dit alles lang genoeg zal voortgaan, om tot zulk eene diepte te zinken; en toch zou het schijnheilig van mij zijn te beweren, dat volgens mijn oordeel de verandering in de grondvesten der maatschappij, die den arbeid vrij en de menschen in werkelijkheid gelijk zoude maken, ons langs een korten weg zou voeren naar de schitterende herboorte der kunst, waarover ik gesproken heb; toch ben ik overtuigd dat zij dat, wat wij nu kunst noemen, niet onaangeroerd zou laten, daar de doeleinden dier omkeering de doeleinden der kunst omvatten, n.l. het opheffen van den vloek van den arbeid.

         Ik denk dat het aldus zal gebeuren: de machine zal voortgaan zich te ontwikkelen, met het doel, den menschen arbeid te besparen, totdat de groote menigte vrijheid genoeg verkregen heeft om in staat te zijn het [155] genot van het leven te waardeeren; tot zij inderdaad zóóveel heerschappij over de Natuur heeft verkregen, dat zij niet langer hongersnood behoeft te vreezen als een straf voor het niet meer dan genoeg werken. Wanneer zij op dat punt zijn aangekomen, zullen de menschen zonder twijfel tot bezinning komen en zich beginnen af te vragen, wàt het is, dat zij eigenlijk verlangen te doen. Zij zouden spoedig uitvinden, dat hoe minder werk ze doen (ik meen: hoe minder werk onverzeld van kunst), hoe aangenamer een woonplaats de aarde zou zijn; dientengevolge zouden zij hoe langer hoe minder gaan werken, tot de drang tot handelen, waarvan ik in ‘t begin gesproken heb, hen opnieuw zou aandrijven. Maar tegen dien tijd zou de Natuur, verlicht door de vermindering van ‘s menschen arbeid, hare oude schoonheid herwonnen hebben en aan het menschdom het oude verhaal van Kunst gaan leeren.

         En daar het kunstmatige hongerlijden, veroorzaakt door het werken van menschen ten voordeele van hun meester, dat wij nu als iets heel natuurlijks beschouwen, dan reeds lang zou zijn verdwenen, zouden die menschen vrij zijn om te handelen zooals zij wilden en zij zouden hunne machines op zij zetten in al die gevallen, waarin het aangenamer of meer gewenscht ware het werk met de handen te verrichten, zoodat in alle ambachten waarbij het voortbrengen van iets schoons vereischt werd, naar de meest directe verbinding van ‘s menschen hand en hersenen zou gezocht worden.

         En er zouden ook vele bezigheden zijn, zooals de verschillende landbouwbedrijven, waarbij de vrijwillige krachtsoefening zóó genotvol zou worden gevonden, dat de menschen er niet aan zouden denken om dat genoegen over te leveren aan de kaken eener machine. Kortom, men zal ontdekken, dat de menschen van onzen [156] tijd ongelijk hadden met eerst hunne behoeften te vermeerderen en dan te trachten, ieder voor zich, om alle deelneming te ontwijken aan de middelen die noodig zijn om aan deze behoeften te voldoen; dat deze wijze van arbeidsverdeeling in waarheid slechts een nieuwe en willekeurige vorm van brutale en achtelooze onwetendheid is, veel schadelijker voor levensgeluk en tevredenheid dan de onbekendheid met de werkingen der Natuur (met wat wij soms "Wetenschap" noemen), waarin de menschen van vroeger onbewust voortleefden.

         Zij zullen ontdekken, of liever opnieuw ontdekken; dat het ware geheim van het geluk ligt in een levendig belangstellen in al de kleinigheden van het dagelijksch leven, in hare verheffing door Kunst, inplaats van hare vervaardiging over te laten aan verachte slovers, of ze geheel onopgemerkt te laten; dat in zulke gevallen, waar het onmogelijk bleek om ze òf zoo te veredelen en belangrijk te maken, òf de vervaardiging ervan gemakkelijk te maken door het gebruik der machine en den arbeid daardoor zoo gering mogelijk, dat men het dan zou beschouwen als een bewijs, dat de veronderstelde voordeelen, die zij opleverden, niet de moeite loonden en het beter ware ze geheel op te geven.

 

         Dat alles zal volgens mijn opinie het gevolg zijn van het afwerpen van den last van Kunstmatigen Honger, verondersteld, zooals ik niet kan nalaten te doen, dat de drijfveeren, die van de eerste schemering der historie af de menschen hebben gedreven om Kunst te beoefenen, nog in hen zouden werken.

         Zóó en zoo alléén kan de Wedergeboorte der Kunst plaats hebben en ik geloof dat ze zoo zal plaats hebben. Ge kunt zeggen, dat het een lang proces zal zijn, en dat is het ook. Maar ik kan mij een nog langduriger voorstellen.

         [157] lk heb u de socialistische of optimistische beschouwing der zaak gegeven. Nu de pessimistische.

         Ik kan mij voorstellen, dat het verzet tegen Kunstmatigen Honger of Kapitalisme, dat nu in gang is, zal worden bedwongen. Het resultaat zal zijn, dat de arbeidende klasse--de slaven der Maatschappij--hoe langer hoe meer zal ontaarden, dat zij niet zal worstelen tegen een verpletterende overmacht, maar dat zij, gedreven door die liefde voor het leven, welke de Natuur--altijd bezorgd voor de bestendiging van het ras--in ons heeft gelegd, zal leeren alles te verdragen: honger, afbeuling, vuilheid, onwetendheid, ruwheid. Dat alles zal zij verdragen, zooals zij helaas ! het maar al te wel ook nu verdraagt ; dat alles liever dan het dierbare leven en een bitter bestaan op het spel te zetten,--en elke vonk van hoop en menschelijkheid zal in haar sterven. De heerschers zullen niet veel beter er aan toe zijn: de oppervlakte der aarde zal overal afzichtelijk zijn, behalve in de onbewoonbare woestijn ; de Kunst zal geheel sterven, zoowel in het handwerk als in de literatuur, die zal worden--en reeds bezig is te worden--een keten van louter wel geordende en berekende ongerijmdheden en hartstochtlooze onbeduidendheden. De Wetenschap zal hoe langer hoe meer eenzijdig worden, meer onvolkomen, meer woordenrijk en doelloos, totdat zij ten slotte zich zal ophoopen tot zulk eene mate van bijgeloof, dat daarnaast de godsdiensten van vroegere tijden louter verstand en verlichtheid zullen gelijken. Alles zal meer en meer naar beneden gaan, totdat de heldhaftige strijd van vroeger, om de hoop verwezenlijkt te zien, van jaar tot jaar, van eeuw tot eeuw, geheel zal worden vergeten en de mensch zal worden tot een niet-te-beschrijven wezen: zonder hoop, zonder begeerte, zonder leven. En zal ook daaruit redding mogelijk zijn? Mis-[158] schien: de mensch kan na de een of andere vreeselijke ineenstorting leeren te streven naar een gezond dierlijk bestaan, kan van een dergelijk dier groeien tot een wilde, van een wilde tot een barbaar en zoo verder; en over eenige duizendtallen van jaren zal hij mogelijk weer beginnen die kunst te zoeken, welke wij nu verloren hebben, en vlechtpatronen gaan snijden als de Nieuw-Zeelanders of diervormen gaan krassen op de gereinigde beenen klingen zijner messen, zooals de vóór-historische woudmenschen. Maar wij zullen in ieder geval,--volgens de pessimistische zienswijze, die het verzet tegen Kunstmatigen Honger beschouwt als iets, dat onmogelijk kan slagen,--den geheelen cirkel weer moeten rondkruipen, tot de een of andere ramp, het gevolg eener onvoorziene ineenstorting, ons allen ge-heel zal vernietigen.

         In dat pessimisme geloof ik niet; ook denk ik aan den anderen kant niet, dat het louter eene kwestie van onzen wil is, of wij den menschelijken vooruitgang, dan wel de menschelijke ontaarding zullen helpen bevorderen. En toch, zoolang er velen zijn, die gedreven worden tot de socialistische of optimistische opvatting der dingen, moet ik daaruit besluiten, dat er eenige hoop bestaat dat deze bovendrijft, dat de vurige pogingen van een groot aantal individuen een kracht inhouden die hen vooruitstuwt. Daarom geloof ik, dat het Doel der Kunst zal verwezenlijkt worden, al weet ik dat het niet kan zoolang wij zuchten onder de tirannie van Kunstmatigen Honger.

         Nog eens waarschuw ik U, die de Kunst bizonder liefhebt, toch niet te denken, dat gij eenig goed doet met te trachten de Kunst te doen herleven enkel door te bouwen op den dooden, uiterlijken schijn ervan.

         Ik zeg U, dat het meer het Doel der Kunst is, dat gij moet [159] zoeken, dan de Kunst zelf; en terwijl wij zoeken, is het mogelijk, dat wij ons bevinden in een wereld, leeg en arm, omdat Kunst ons tè lief is, om den schijn ervan te kunnen verdragen.

         Hoe het zij, ik vraag u om met mij te gelooven, dat het ergste wat ons kan overkomen is: geduldig al het kwaad te verdragen, dat wij om ons zien; dat geen leed en onrust zóó erg zijn als dàt; dat de noodzakelijke omverwerping, die wederopbouw met zich brengt, met kalmte moet worden verdragen; dat wij overal--in Staat, Kerk en Huisgezin--vast besloten moeten zijn geen tirannie te verdragen, geen leugen aan te nemen, voor geen angst terug te deinzen, al mogen zij tot ons komen vermomd als vroomheid, plicht of liefde, als nuttige gelegenheid of goedhartigheid, als voorzichtigheid of vriendelijkheid. ‘s Werelds ruwheid, valschheid en ongerechtigheid zullen hare natuurlijke gevolgen na zich sleepen en wij en ons leven zijn een deel dier gevolgen.

         Doch zoolang wij óók erven de gevolgen van het oude verzet tegen dezen vloek, moeten wij allen zorgen ook van die erfenis ons eerlijk deel te krijgen, zoodat--al moge er niets anders door tot stand komen--ons tenminste moed en hoop zullen blijven, dat wil zeggen: vurig te leven zoolang wij leven, wat boven alle andere dingen het Doel der Kunst is.