HOMELife & WorksAbout the SocietyMemberhip & DonationsPublications Events  •  Links

Morris, William. "Bouwkunst en Geschiedenis [Architecture and History]." Kunst en Maatschappij [Art and Society]. Trans M. Hugenholtz-Zeeven. Introd. Henri Polak. 2nd ed. Rotterdam [Brusse]: Nieuwe Uitgave, 1905. 1-30.

This document has been edited and proofread for online publication by Lieske Tibbe.]

Lezing Gehouden Voor de Vereeniging Tot Bescherming van Oude Gebouwen 1 Juli 1884 door William Morris.

         Wij leden van dit genootschap kennen tenminste de schoonheid van het verweerde, door den tijd versleten uiterlijk van een oud gebouw, en hebben allen het pijnlijke gevoeld van dit uiterlijk te zien verdwijnen onder de handen van een „restaurateur"; maar hoewel wij dit allen diep genoeg voelen zou het sommigen van ons toch misschien moeilijk vallen om aan de buitenwereld de ware schoonheid van zulk een oud gebouw te verklaren. Deze ligt niet alleen hierin, dat het op zich zelf schilderachtig en schoon is, noch alleen dat er karakter schuilt in den vorm, dien de oorspronkelijke bouwmeesters aan hun werk gaven, slechts vaag bewust van de vele geslachten, die er op zouden staren; een deel van zijn waarde bestaat hierin, dat,--zooals Mr Ruskin het zoo schoon uitdrukt, spekende over een historisch Fransch gebouw, nu waarschijnlijk veranderd in een [p. 2] schoolsch namaaksel van zijn oorspronkelijk zelf,--„men voelt dat het dezelfde steenen zijn, die de heilige Lodewijk daar met eigen oogen zag aanbrengen". Dat gevoel is veel, maar het is niet alles, het is slechts een deel van de werkelijke waarde, waarop ik heden uw aandacht wensch te vestigen, welke waarde kortweg gezegd daarin bestaat, dat het ongeschonden uiterlijk van oude architectuur getuigt van de ontwikkeling der menschelijke gedachten, van de continuïteit der geschiedenis en daardoor een voortdurende leering, ja, opvoeding is voor de elkaar opvolgende geslachten, daar zij ons niet alleen vertelt wat het streven was der menschen van vroeger, maar ook wat wij te wachten hebben van de komende tijden.

         Gij allen weet hoe in onze dagen de geschiedenis bezield wordt door een geheel anderen geest dan dien, welke vroeger voldoende werd geacht om de belangstelling te wekken van denkende menschen. Er was een tijd, zelfs nog niet zoo lang geleden, toen de handige schrijver (zich meer bepalend tot het schrijven van schetsen dan de geschiedschrijver) zijn geschiedenis schreef omringd van boeken, wier waarde hij veeleer schatte naarmate zij meer overeenkwamen met een willekeurigen maatstaf van letterkundige waarde, dan naar hun vermogen om een blik in het verleden te doen slaan. Op die wijze behandeld konden de boeken zelf den ruimen voorraad geschiedkundige kennis niet schenken, die zij inderdaad bevatten, indien zij volgens de historische methode gebruikt werden. Het is waar, dat voor het grootste gedeelte deze boeken meestal ge-schreven werden voor andere doeleinden dan om eenvoudig inlichtingen te verschaffen aan hen, die later kwamen; de eerlijke schrijvers werden gedwongen om het leven te bekijken door den bril, hun opgedrongen [p. 3] door de conventioneele zedeleer van hun eigen tijd, de oneerlijke waren slaafsche vleiers in dienst van hen, die de macht in handen hadden. Niettegenstaande de kunst van liegen ten allen tijde vlijtig is beoefend door de menschen en vooral door dat deel van hen, dat leeft van het werk van anderen, is het toch een kunst waarin weinigen de volmaaktheid bereiken, en een eerlijk man zal met voldoende volharding er meestal in slagen om door den sluier van onwaarheid het werkelijke leven te zien, dat ademt in die geschreven kroniek van het verleden; ja de leugens zelf, die meestal van een ruw en onopgesmukt soort zijn, kunnen dikwijls worden opgelost en als 't ware omgezet in historisch materiaal, in negatieve bewijzen van feiten. Maar de schoolsche geschiedschrijvers van wie ik gesproken heb waren niet berekend voor die taak; zij zelven waren behept met een noodlottige hoewel onbewuste oneerlijkheid; de historische wereld die zij zich voorstelden was een onwerkelijke; voor hen bestonden er slechts twee tijdperken van onafgebroken orde, van georganiseerd leven: het tijdperk van Grieksche en Romeinsche klassieke geschiedenis was het een, de ontwikkeling van de herleving der klassieken tot op hun eigen tijd was het andere; de rest was voor hen slechts willekeurige verwarring, vreemde volkeren en stammen waarmee zij geen enkel punt van aanraking hadden, die met elkaar in botsing kwamen om geen andere reden dan die eener kudde bisons; al die duizenden van jaren zonder eenige scheppingskracht, slechts belemmerend werkend, en zooals ik zei de, daaruit twee perioden van volmaaktheid gelijk Pallas volledig toegerust ontspringend uit het hoofd van Zeus. Een vreemde opvatting inderdaad van de geschiedenis der „beroemde mannen en onze vaderen die ons hebben verwekt," maar eene die niet [p. 4] lang stand kon houden tegenover de natuurlijke ontwikkeling van wetenschap en maatschappij. De nevelen der schoolsche geleerdheid trokken langzaam op en vertoonden een ander beeld: een beginsel van orde reeds in de vroegste tijden, weliswaar afwisselend bij verschillende rassen en in verschillende landen, maar steeds beheerscht door dezelfde wetten, steeds voortbewegende naar iets, dat juist het tegenovergestelde schijnt te zijn van het uitgangspunt en toch dat eerste beginsel nimmer dood, maar steeds herlevend in het nieuwe en dat langzaam vervormend tot een her-schepping van zijn vroeger wezen. Welk een geheel anderen geest zulk een beschouwing der geschiedenis doet ontstaan, is niet moeilijk te begrijpen. Niet langer oppervlakkige spotternijen over de dwalingen en dwaasheden van het verleden vanaf het standpunt eener zoogenaamde beschaving, maar diep medegevoel met zijn half bewuste idealen, te midden der moeilijkheden en tekortkomingen waarvan wij ons in het heden maar al te droevig bewust zijn, dat is de nieuwe geest der historie: kennis heeft ons, meen ik, nederigheid geleerd en nederigheid, hoop op die volmaaktheid, waarvan wij blijkbaar nog zoo ver af zijn.

         Wat nu verder de hulpmiddelen betreft van deze nieuwe kennis der geschiedenis, waren het niet voornamelijk deze twee: taalstudie en studie van oudheidkunde? d. w. z. van de uitdrukking der menschelijke gedachten door middel der taal en door middel van handenarbeid, met andere woorden de kroniek der menschelijke scheppingsdaden. Van het eerste dezer hulpmiddelen, hoe zeer ik er ook belang in stel, voornamelijk in dat deel er van, dat voert naar de vergelijkende mythologie, en zoo duidelijk de eenheid van het menschdom verkondigt, ontbreekt mij de kennis om er over te spreken, zelfs [p. 5] al had ik er tijd voor; over het tweede: oudheid-kunde ben ik verplicht te spreken, daar het voor alles tot het werk van onze vereeniging behoort om de menschen voor oogen te houden van hoeveel belang zij is als hulpmiddel voor de studie der geschiedenis welke ons inderdaad leidt tot de oplossing van alle sociale en politieke vraagstukken, die de hoofden der menschen bezig houden.

         Ik ben zooveel te meer verplicht om over dit onderwerp te spreken, omdat, ondanks het gezag dat de nieuwe richting der geschiedenis over beschaafde geesten heeft, wij niet moeten vergeten dat velen nog onontwikkeld zijn en in hen heeft de schoolsche wijsheid nog de overmacht; en gij zult wel begrijpen dat wanneer ik spreek van onbeschaafde geesten ik niet denk aan de lagere klassen, zoo als wij hen onbeleefd doch al te waar noemen, maar aan velen van hen die verantwoordelijke betrekkingen bekleeden, en speciaal verantwoordelijk ten opzichte van de voogdijschap over onze oude gebouwen; inderdaad kan ik, om een begrijpelijke tegenwerping bij voorbaat te weerleggen er in komen, hoe iemand zegt, dat de half onwetende, half geleerde en volslagen eigenwijze manier waarop met een oud gebouw wordt omgesprongen ook historisch is en ik moet toestemmen dat er eenige logica schuilt in de tegenwerping. Vernieling is helaas een van de vormen van groei; inderdaad die schoolsche historici, van wie ik sprak vormden ook een deel van de geschiedenis en het zou eigenaardig zijn na te gaan in hoe verre hun vernielende geleerdheid een teeken van kracht was vergeleken met onze bezadigde onderzoekingen en onze beschroomdheid; ik kan nu echter hierop niet ingaan, hoewel ik geloof dat het zou leiden tot ge-volgtrekkingen, die menigeen zouden verbazen, en ik [p. 6] zal mij nu tevreden stellen met te zeggen, dat indien de bekrompenheid, de platheid van geest (ik weet geen ander woord) die zich bemoeit met onze oude monumenten, alsof Kunst geen verleden had en ook geen toekomst zal hebben, een historisch verschijnsel is (en ik ontken het niet) dan geldt dat ook voor den geest, die ons aanspoort om die bekrompenheid en platheid te weerstaan.

         Nu ben ik er zeker van, dat gij tot hier toe als leden van onze vereeniging het geheel met mij eens zijt geweest; gij zult er niet aan twijfelen dat op de een of andere manier het uitwendige van een oud gebouw, het handwerk van vroeger tijden iets zeer kostbaars is en waard om behouden te blijven, en ik ben er ook zeker van dat wij allen bij instinct voelen, dat het in den tegenwoordigen tijd niet nagemaakt kan worden; dat de poging om het na te maken ons niet alleen berooft van een historisch monument, maar ook van een kunstwerk. In hetgeen nu volgt zal ik trachten u te bewijzen dat deze onmogelijkheid van nabootsing niet toevallig is, maar een noodzakelijk uitvloeisel van de levensvoorwaarden van den huidigen dag; dat zij haar oorzaak vindt in de geheele voorafgaande geschiedenis en niet in een voorbijgaanden smaak of mode van den dag; en dat bijgevolg geen mensch en geen vereeniging van menschen, hoe geleerd zij ook mogen zijn in oude kunst, welke bekwaamheid in het ontwerpen of hoeveel liefde voor schoonheid zij ook mogen bezitten, onze werklieden van tegenwoordig kunnen overhalen, omkoopen of dwingen om hun werk te doen op dezelfde manier als de werklieden van Koning Eduard I het hunne deden. Wek Theodoric de Goth uit zijn eeuwenlangen slaap en plaats hem op den troon van Italië; verander ons Lagerhuis in de Witenagemote (vergadering van vroede mannen) [p. 7] van Koning Alfred den Groote; geen gemakkelijker kunststuk is de restauratie van een oud gebouw. Teneinde u nu te bewijzen dat dit noodzakelijk en onvermijdelijk is, ben ik gedwongen om zeer in 't kort de voorwaarden te noemen, waaronder handenarbeid werd voortgebracht van de vroegste tijden af; dit doende kan ik niet vermijden zekere sociale vraagstukken aan te roeren over wier oplossing sommigen van u met mij van meening zullen verschillen. In dat geval verzoek ik u u te herinneren dat hoewel het Comité mij opgedragen heeft deze lezing voor u te houden, het niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor meeningen die niet de principes raken, verdedigd in door haar uitgegeven documenten. Men behoeft de Vereeniging niet te beschouwen als gevaarlijk, behalve misschien voor de amusementen van sommige dorpsdominés en land-heeren en hun vrouwen en dochters.

         Welnu het moet erkend worden dat ieder bouwwerk een product van samenwerking is. Zelfs de ontwerper, hoe oorspronkelijk hij ook zijn moge, betaalt zijn schatting aan dit onvermijdelijke, door op de een of andere manier onder den invloed te staan van traditie; de dooden richten zijn hand, zelfs waar hij vergeet, dat ze ooit bestaan hebben. Maar verder, zijn denkbeelden moeten worden uitgevoerd door andere menschen; niemand kan een huis bouwen met zijn eigen handen; elk van deze menschen hangt, zelfs om zijn werk te kunnen beginnen weer van iemand anders af; ieder is slechts een deel van een machine; de deelen kunnen òf zelf machines zijn òf zij kunnen eigen intellect bezitten, maar in elk geval moeten zij werken in onderwerping aan het geheel. Het is duidelijk, dat menschen, die zoo werken in hun arbeid beïnvloed moeten worden door hun levensomstandigheden, en de man die hun arbeid bestuurt moet [p. 8] goed begrijpen dat hij slechts zoodanig werk gedaan kan krijgen als door deze omstandigheden wordt mogelijk gemaakt. Geestdrift voor goed handwerk te verwachten bij mannen, die gedurende twee geslachten onder den druk der omstandigheden gewoon zijn geweest slordig te werken, zou bespottelijk zijn; schoonheidszin te verwachten bij menschen die tien geslachten lang nooit iets schoons hebben mogen vervaardigen, zou nog dwazer zijn. De bewerking van ieder stuk gemeenschappelijk werk moet van zijn eigen tijd zijn en de kenmerken daarvan dragen. Begrijp dit wel, wat ik nu in een anderen vorm ga zeggen: elk bouwkundig werk is noodwendig gemeenschapswerk; in elk gemeenschapswerk kan het eindproduct van geen beter gehalte zijn dan de laagste, of de eenvoudigste, of de hoogste graad die tevens de meest essentieële is, toelaat. Het soort en de kwaliteit van dat werk, het werk van den gewonen handwerksman wordt bepaald door de sociale omstandigheden, waaronder hij leeft, die van eeuw tot eeuw steeds wisselen.

         Laat ons dan trachten te weten te komen, waarin zij verschilden en de resultaten beschouwen van dat verschil ten opzichte van de Kunst; gedurende dit onderzoek zullen wij veel meer in aanraking komen met den bloeitijd der middeleeuwen--met het werk waarvan ons genootschap zich in 't bijzonder bezig houdt--dan met eenige andere periode.

         In het klassieke tijdperk werd de nijverheid voornamelijk betracht door de slaven, wier persoon en werk beide behoorden aan hun werkgevers, en wier levensonderhoud juist op het peil gehouden werd dat het meest strookte met de belangen der genoemde werkgevers. Het was natuurlijk dat onder zulke omstandigheden de industrie geminacht werd; maar gedurende de Grieksche [p. 9] beschaving tenminste was het gewone leven van de vrije burgers--feitelijk de aristocratie--eenvoudig; het klimaat vereischte geen moeizaam werk voor kleeding en beschutting, het ras was nog jong, sterk en lichamelijk schoon. De aristocratie dus, vrij van de noodzaak om ruw en uitputtend werk te verrichten, daar zij slaven bezaten die dat alles voor hen deden, en weinig gedrukt door den strijd om het bestaan, bezat ondanks het voortdurende twisten en rooven waaruit hun uiterlijke geschiedenis bestaat, lust en vrijen tijd beide om de hoogere intellectueele kunsten te beoefenen, binnen de perken, die hun aangeboren liefde voor nuchterheid en afkeer van romantiek hun voorschreef; de nijvere kunsten werden ondertusschen in strenge, zelfs slaafsche onderwerping aan de hoogere kunsten gehouden, zooals natuurlijk was. Mag ik hier even afbreken om u de vraag in overweging te geven: in geval de een of andere Athener beproefd had een gothische kathedraal te bouwen in de dagen van Pericles, wat voor hulp hij zou gehad hebben aan den slavenarbeid van die dagen, en welk soort gothiek zij voor hem zou-den gebouwd hebben?

         Welnu, het ideaal van kunst door het Grieksch vernuft met zulk een prachtig, overweldigend succes gevestigd, bleef bestaan ook gedurende het geheele Romeinsche tijdperk, ondanks de uitvinding en toepassing van den boog in de architectuur of liever bij de praktijk van het bouwen; en daarnaast bracht de slavernij, onder eenigszins gewijzigde omstandigheden, de gewone voorwerpen voor dagelijksch gebruik voort; de onverholen minachting voor de resultaten der nijverheidsproductie door den wijsgeer Plinius geuit, zij moge oprecht zijn geweest of slechts een opgeschroefde gevolgtrekking der gangbare wijsbegeerte, illustreert ten duidelijkste [p. 10] den toestand der door slaven voortgebrachte nijvere kunsten, gedurende het laatste klassieke tijdperk. Ondertusschen waren, zelfs nog bij het leven van Plinius, de intellectueele kunsten der klassieke tijden sinds lang van hun hoogtepunt gedaald en hadden lange eeuwen van schoolschheid te doorwaden, waaruit zij ten laatste bevrijd werden niet door het zich keeren van het individueel genie naar een vroegere periode, maar door het ineenstorten der klassieke maatschappij zelf, die met zich voerde den overgang der slavernij--eenmaal den grondslag der klassieke samenleving--tot lijfeigenschap of hoorigheid, waarop het leenstelsel is gebaseerd. Het tijdperk van barbaarschheid en wanorde tusschen de twee tijdperken van orde was ongetwijfeld lang, maar ten laatste verrees daaruit helder en stralend de nieuwe orde; en in de plaats van het stelsel van aristocratische burgers en slaven zonder eenige rechten, en daarboven de oppermacht der steden (het ideaal, de godsdienst van de klassieke samenleving) werd nu gevormd een stelsel van persoonlijke plichten en rechten, persoonlijken dienst en bescherming gehoorzamend aan vooropgezette denkbeelden omtrent 's menschen plichten jegens en rechten op de onzienlijke machten van het heelal. Ongetwijfeld zooals ook natuurlijk was in dit stelsel van kerkelijke overheersching, waren het de kloosters--wier voornaamste plicht het was de priesterheerschappij hoog te houden als een banier te midden der onvolmaakte menschheid--die ten opzichte van de kunst in de eerste helft der middel eeuwen te midden van de lijfeigenen en hun heeren, de rol vervulden, die in de oude tijden de beschaafde vrije Griek vervulde te midden van de hem omringende slaafsche knechten. Maar de lijfeigene was in een geheel andere conditie dan de slaaf, want na afloop van enkele [p. 11] bepaalde plichten voor zijn heer was hij (in theorie tenminste) vrij om zijn eigen brood te verdienen zoo goed als hij dat kon binnen de grenzen van het gebied van zijn heer. De slaaf als individu bezat de hoop op vrijlating, maar collectief was er geen andere hoop voor hem dan de algeheele omverwerping van de maatschappij, die gegrond was op zijn onderwerping. De lijfeigene daarentegen was door zijn arbeidsvoorwaarden gedwongen om te trachten zich als individu betere toestanden te verschaffen en begon al spoedig collectief rechten te verkrijgen te midden van de met elkaar in botsing komende rechten van koning, heeren en burgers. Ook begon reeds vroeg in de middeleeuwen een nieuwe, machtige kracht te kiemen, die den arbeid te hulp zou komen, de eerste teekenen van een vereeniging van vrije mannen, voortbrengers en kooplieden. Hoewel de gilden, welker oorsprong in Engeland dagteekent van vóór de normandische verovering, ten volle erkenden het overwicht der geestelijkheid op de samenleving en dikwijls zelf godsdienstig waren in hun streven, vooral in de eerste tijden, kwamen zij niet voort uit geestelijke overweging; ja naar alle waarschijnlijkheid wortelden zij in dat gedeelte van het Europeesche ras, dat niets geweten had van Rome en haar instellingen in de dagen van haar invloed op wereldlijke zaken. Engeland en Denemarken waren de landen waar de gilden zich het eerst ontwikkelden, terwijl zij het laatst en het zwakst wortel schoten in de Latijnsche landen.

         De geest van vereeniging breidde zich uit; de gilden, die in het eerst meer bepaald liefdadigheidsgenootschappen of clubs waren geweest, ontwikkelden zich spoedig tot vereenigingen tot bevordering van een onbelemmerd handelsverkeer en werden spoedig machtig onder den naam van koopmansgilden; op het top-[p. 12] punt van hun macht vormden zich onder hen een andere reeks gilden, welker doel was de regeling en uitoefening der ambachten, vrij van leenroerige eischen. De oudere koopmansgilden verzetten zich tegen deze nieuwere instellingen; zoo zeer zelfs dat er in Duitschland een bloedige en wanhopige strijd tusschen hen ontstond; het groote oproer in Gent, dat gij u zult herinneren als een voorbeeld van deze vijandigheid, werd aangestookt door de nijvere kunsten en vergeet niet, dat Gent, de industriestad revolutionnair was en Brugge de handelsstad reactionnair. In Engeland wijzigden de koopmansgilden zich op een meer vreedzame manier en uit hen vormden zich voor het meerendeel de vroedschappen der steden, en de ambachtsgilden namen hun vaste plaats in als bestuurders en beschermers van alle ambachten. Omstreeks het begin van de veertiende eeuw was de oppermacht der ambachtsgilden volkomen en in dien tijd tenminste waren zij op zuiver democratischen voet ingericht. Losse arbeiders bestonden er niet, de leerlingen waren er van verzekerd, dat zij eenmaal meester in hun ambacht zouden worden, zoodra zij hun vak geleerd hadden. Eer wij nu verder gaan om het verval en den ondergang der gilden te beschouwen, moeten wij eens zien op welke wijze de ambachtsman in dien tijd werkte: eerst dan, een woord over zijn levensomstandigheden; in het kort moet ik zeggen, dat hij een veel onbezorgder leven leidde hoe eenvoudig dan ook dan zijn opvolger heden ten dage. Hij werkte voor geen anderen meester dan het publiek, hij maakte zijn waren zelf van het begin tot het eind en verkocht ze zelf aan den man, die ze moest gebruiken. Dit was tenminste het geval met bijna alle, zoo niet alle goederen die in Engeland gemaakt werden; enkele van de meer zeldzame stoffen zooals zijde kwamen op de ruilmarkt [p. 13] hetgeen daarom alleen reeds noodig was omdat de grondstoffen van een land voornamelijk verwerkt werden dicht bij hun plaats van herkomst. Maar zelfs deze meer zeldzame goederen werden oorspronkelijk gemaakt voor eigen gebruik en alleen het overtollige kwam in handen van den koopman, ten opzichte van wien ge ook moet bedenken dat hij niet uitsluitend dobbelaar was in het hazardspel vraag en aanbod zooals tegenwoordig maar een onmisbare overbrenger van goederen; hij werd betaald voor zijn moeite van het over-brengen van goederen van een plaats waar meer dan het noodige voorhanden was, naar een streek waar niet genoeg was, en daarmee uit; de wetten tegen opkoopers en speculanten geven ons een denkbeeld hoe men in de middeleeuwen over handel dacht als handel d.w.z. niet als winstbejag. Een opkooper was een man die goederen opkocht om ze te bewaren tot zij zouden stijgen; een speculant een man die kocht en verkocht op dezelfde markt, of binnen vijf mijlen daarvan. Wij behoeven nauwelijks uit te weiden over het voordeel, dat de opkooper voor de gemeente opleverde; wat den speculant betreft het was de opvatting van de achterlijke menschen uit de middeleeuwen dat een man, die, laten we zeggen 's morgens om negen uur honderd pond kaas kocht tegen een dubbeltje het pond en ze om elf uur verkocht voor drie stuivers niet bepaald een nuttig burger was. lk moet bekennen, dat ik ouderwetsch en conservatief genoeg ben om het op dat punt met hen eens te zijn, hoewel ik tot mijn spijt moet opmerken dat alle „zaken" doen tegenwoordig bestaat uit opkoopen en speculeeren en dat wij allen slaven zijn van dat aangename en eenvoudige bedrijf: zoodat de misdadigers van de eene eeuw de weldoende meesters zijn geworden van de volgende.

         [p. 14] Welnu, hoe het ook zij, uit dezen voortdurenden nauwen omgang tusschen den maker en den gebruiker van goederen volgde dat het publiek over het algemeen een goede beoordeelaar was der vervaardigde goederen, en dientengevolge was de kunst of liever de eeredienst der vervalsching nauwelijks bekend; men kon tenminste gemakkelijk naam maken als belijder zoo al niet als martelaar van dat edele geloof.

         Wat nu de wijze van werken betreft, er was weinig of geen verdeeling van arbeid in een ambacht, hetgeen ik een kleine verzachting vind voor het kwaad (want als zoodanig beschouw ik het) dat een man zijn leven lang gebonden is aan één bepaald vak (zooals hij nu trouwens ook is) omdat er ten slotte toch overvloed van afwisseling was in het werk van iemand, die het geheele voorwerp zelf maakte in plaats van altijd een klein stukje van een onderdeel te maken. Gij moet ook bedenken, dat de leden der gilden hun deel hadden in de weiden van het land zooals elke vrije burger dat had. Port Meadow te Oxford bij voorbeeld was de gemeene weide voor de poorters van die stad. Zoo waren de levens- en arbeidsomstandigheden van den Engelschen ambachtsman in de veertiende eeuw. Ik veronderstel dat de meesten onzer de beschrijving die ons van hem werd gegeven door de half onwetende en ons totaal misleidende historici van wie ik straks gesproken heb niet hebben willen aanvaarden. Wij die de overblijfselen van zijn handwerk bestudeerd hebben, zijn reeds lang zonder verder onderzoek instinktmatig overtuigd, dat hij niet was een aan den geestelijken leiband loopend, onderdrukte halve wilde, maar een ernstig, krachtig en in sommige opzichten ten minste vrij man. Dat instinct is overvloedig bevestigd door nauwkeurige verzamelaars van feiten zooals Thorold [p. 15] Rogers en wij weten nu, dat de leden van een ambachtsgilde werkten en zich ontspanden op een wijze, zooals men verwachten kon naar de kunst, die zij voortbrachten. Een ambachtsman werkte niet ten bate van een patroon, doch voor zijn eigen levensonderhoud, wat ik herhaal, hem niet moeilijk viel, zoodat hij tamelijk veel vrijen tijd had en daar hij de vrije beschikking had over zijn tijd, zijn gereedschappen en zijn materiaal, behoefde hij zijn werk niet slordig af te leveren, doch kon zich het genot verschaffen, er een artistieken stempel op te drukken; hoe verschillend dit is van de machinale afwerking zullen sommigen onzer misschien tot eigen schade hebben ondervonden. Die artistieke afwerking of versiering was niet te koop, zij werd om niet aan het publiek geschonken, dat naar ik denk er voor betaalde door belangstelling in en sympathie met den arbeid zelf te toonen, wat ik als een goede belooning beschouw in tijden, waarin een man kon leven zonder meer stoffelijk loon. Want ik moet bekennen, dat waar men in onze dagen de geniale gedachte, het genie, betalen moet, de bouwmeesters onzer oude gebouwen daar niet aan dachten; want zooals Thorold Rogers terecht opmerkt, de kunst was algemeen verspreid, het bezit van eenige vaardigheid in dat opzicht was regel en geen uitzondering. Gewoonlijk konden zij, die de middelen bezaten, een gebouw te zetten, de noodige plannen en ontwerpen tevens maken, klaarblijkelijk omdat zij hulp en een helder begrip vonden bij de werklieden, die zij in dienst moesten nemen. Om een voorbeeld te noemen, de toren van Merton College Chapel in Oxford werd gebouwd door gewone metselaars onder het oppertoezicht van studenten van dat College. En als ik nu denk aan het ellendige lapwerk dat de tegen-[p. 16] woordige studenten hebben laten doen aan hun schoon nevengebouw St. Alban's Hall, zou ik niet gaarne die zeer eerbiedwaardige studenten van die oude inrichting zulk een werk in onzen tijd toevertrouwen. Als een gevolg van deze algemeen verspreide vaardigheid in de kunsten moesten die arme drommels, welke in bekwaamheid en smaak uitmuntten boven hun mede-arbeiders en die bijgevolg aangenamer werk hadden dan zij, zich tevreden stellen met een zeer bescheiden extra toelage en in sommige gevallen zelfs zonder dat; het schijnt, dat zij niet het goed recht konden doen erkennen van die klasse van menschen, tegen wie veel misdreven wordt en die zelf veel op hun kerfstok hebben: mannen van genie, dat de inrichting van hun maag en de formatie van hun huid verschillen van die van anderen en dat zij dientengevolge meer eten en drinken en andere kleeding noodig hebben dan hun medemenschen. Als wij hooren zeggen, zooals vaak gezegd wordt, dat er onder alle omstandigheden een extra geldelijke belooning noodig is, om kunstwerken voort te brengen en dat menschen van bijzondere gaven deze talenten niet willen gebruiken zonder omgekocht te zijn door grove stoffelijke voordeelen, zullen wij in allen ernst weten, wat daarop te antwoorden. Wij kunnen een beroep doen op de getuigenis van die heerlijke werken, die ons nagelaten zijn, welker onbekende, ongenoemde scheppers tevreden waren met ze der wereld te schenken met weinig meer loon dan wat hun genoegen in hun werk en hun besef van een nuttig voorwerp te maken hun verschaffen konden.

         Het schijnt mij toe, dat een groep handwerkslieden, die leven zooals wij gezien hebben en zoo werken met eenvoudige machines of werktuigen, die zij geheel in hun macht hadden, bijzonder goed in staat waren, uit te [p. 17] munten op het gebied van bouwkunst, dit woord in zijn ruimsten zin genomen; en dat men van te voren verwacht in hun arbeid te vinden die zorgzaamheid en rijkdom van gedachten, die mengeling van zelfstandigheid en harmonische samenwerking, die men dan ook inderdaad in hun werk aantreft. Doch niettegenstaande deze onafhankelijke schranderheid van den middeleeuwschen werkman of eigenlijk juist daardoor, was hij toch gebonden aan de traditie. Indien het ooit bij iemand opgekomen was in de veertiende eeuw een nieuw Parthenon of Erechtheum te bouwen aan de oevers van de Theems, in hoeverre denkt gij, dat de kunde van zijn mede-arbeiders hem geholpen zou hebben in zijn dwaasheid?

         Doch wij moeten de veertiende eeuw nu voor eenigen tijd vaarwel zeggen en ons relaas over het lot van den arbeider voortzetten. Ik heb gezegd, dat de inrichting van de handwerkersgilden in den aanvang geheel demokratisch of broederlijk was, maar dat duurde niet lang. Naarmate de steden grooter werden en de bevolking vermeerderde door de vrijgelaten lijfeigenen en door andere redenen, begonnen de oude handwerkslieden een afzonderlijke en bevoorrechte klasse te vormen in de gilden met hun bevoorrechte leerlingen en de losse arbeider kwam ten slotte op het tooneel. Na eenigen tijd trachtten de losse arbeiders gilden te vormen onder die der meesters, zooals dezen gedaan hadden onder de koopmansgilden, doch daar de economische toestand destijds hoe langer hoe meer streefde naar het vervaardigen van goederen met het doel, winst te maken, mislukte hun poging totaal. Desniettemin veranderden de arbeidsvoorwaarden niet veel; de meesters werden in bedwang gehouden door wetten ten gunste der losse arbeiders en de loonen rezen veelmeer dan daalden in [p. 18] der vijftiende eeuw; verdeeling van arbeid begon ook eerst veel later en de handwerksman was nog overal een kunstenaar.

         Het begin van de groote verandering kwam onder de regeering der Tudors in het eerste deel van de zestiende eeuw, gedurende welken tijd Engeland, dat steeds een land van akkerbouw geweest was ten behoeve van eigen gebruik, nu zich op veeteelt ging toeleggen voor de markt. Deze verandering en de daaruit voortvloeiende ellende is zeer gemakkelijk te volgen uit de geschriften van More en Latimer. Al wat ik er hierover zeggen wil is, dat zij een zeer grooten invloed had op de levensvoorwaarden en wijze van werken van de handwerkslieden, want de ambachten werden nu overstroomd door groepen van bezitloozen, die niets hadden dan de kracht hunner lichamen en gedwongen waren, die kracht dag aan dag te verkoopen voor wat zij er voor krijgen konden aan menschen, die zeker het artikel arbeid niet zouden koopen, als zij er geen winst mee behalen konden. De gewelddadige roof verbonden aan de verandering van godsdienst in Engeland; de roekelooze vernieling van onze openbare gebouwen, vergezeld door het stelen onzer openbare landerijen, hebben er ongetwijfeld veel toe bijgedragen, de kunst, die nog onder de nieuwe arbeidsvoorwaarden mogelijk was, te verlagen.

         Doch de Hervorming zelf was slechts een der uitloopers van den nieuwen tijdgeest, voortgekomen uit groote economische veranderingen en die een grondiger ommekeer teweegbracht in de kunst en haar schepper, den arbeid, dan een opeenvolging van gebeurtenissen had kunnen doen, hoe ingrijpend die ook mochten zijn. De verandering in de arbeidstoestanden nam snel in omvang toe, hoewel er nog veel zoogenaamde huisarbeid verricht werd; de arbeiders in de steden werden meer [p. 19] afhankelijk van hun patroons, meer en meer daglooners en hun wijze van werken veranderde hoe langer hoe meer; de samentrekking van arbeiders in groote werkplaatsen onder één patroon was op zich zelf slechts een bezuiniging van ruimte, vuur, licht enz., doch zij was de voorbode van een veel grooter verandering; nu begon de verdeeling van arbeid en nam spoedig groote afmetingen aan. In de oude middeleeuwsche toestanden was het middelpunt van den arbeid de meester, die zijn werk kende van a tot z; hij werd slechts geholpen door leerlingen, die zich in zijn vak moesten bekwamen en niet gedoemd waren tot levenslange ondergeschiktheid. Doch onder het nieuwe stelsel van patroon en knechts kwam deze verandering, dat de arbeid uitging van een groep, waarvan elk lid afhankelijk was van het andere en zonder den ander hulpeloos was. Onder dit stelsel, verdeeling van arbeid genaamd, kan iemand en is iemand ook vaak, veroordeeld zijn geheele leven een onbeduidend artikel voor de markt te vervaardigen. Ik bezig den tegenwoordigen tijd, omdat dit stelsel van arbeidsverdeeling nog steeds samengaat met de laatste periode van voortbrenging voor winst waarover later meer.

         Nu moet gij wel begrijpen, dat het ontstaan en de groei van dit stelsel van verdeeling van arbeid geen toeval was, ik bedoel geen gevolg van de een of andere voorbijgaande en onverklaarbare mode, die den menschen dwong naar werk te vragen, dat slechts op deze wijze voortgebracht kon worden; de oorzaak lag in de economische veranderingen, die de menschen dwong, niet langer voor hun levensonderhoud voort te brengen zooals voorheen, doch voor winstbejag. Bijna alle goederen, behalve die, welke op de eenvoudigste wijze vervaardigd werden, moesten nu op de markt gebracht worden, voordat zij in de handen van de verbruikers [p. 20] belandden. Zij werden gemaakt voor den verkoop, niet in de eerste plaats voor het verbruik, en als ik zeg „zij", bedoel ik de geheele artikelen; hun kunstwaarde zoowel als hun onmiddellijk nut was nu een koopwaar geworden, in omloop gebracht naar gelang van de behoeften van den kapitalist, die den arbeider, nu een stuk machine, en den ontwerper beiden in zijn dienst had, welke evenzeer gebonden waren door de behoefte, winst te maken, want gij begrijpt, dat in dezen tijd de verdeeling van arbeid al zulk een uitwerking had gehad, dat de werklieden in plaats van kunstenaars, zooals zij vroeger waren, nu verdeeld konden worden in werklieden die geen kunstenaars, en kunstenaars die geen werklieden waren. Deze verandering had ongeveer haar hoogtepunt bereikt in het midden der achttiende eeuw; ik behoef hier niet den langzamen achteruitgang der kunsten te volgen van de vijftiende eeuw tot deze periode toe. Ik volsta met te zeggen, dat hij langzaam, maar zeker tot stand kwam; slechts daar, waar de menschen min of meer buiten de groote woelingen van het beschaafde leven stonden, waar het leven ruw was en er slechts huisarbeid voortgebracht werd, kon men aan de kunstprodukten eenigermate zien, dat er met lust aan gearbeid was: elders heerschte de schoolschheid algemeen. De schilders, die ons het leven en de idealen van heiligen en helden hadden laten zien, als door een venster, dat slechts zij konden openen, ja zelfs de hemelen en de stede gods uitgespreid over de aardsche stad hunner liefde, veranderden, voorzoover zij nog iets meer beteekenden dan ingebeelde kladschilders, in hoofsche vleiers van leelijke deftige dames en domme, oppervlakkige edellieden.

         Wat de bouwkunst betreft, wat kon men in dat opzicht verwachten van een groep menschelijke machines, die [p. 21] weliswaar samenwerkten, doch slechts ter wille van vlugheid en juistheid in de voortbrenging en naar ontwerpen op zijn best van geleerden, die menschenlevens verachtten of op zijn minst door werktuigelijke werkezels, die weinig meer in de melk te brokken hadden dan de ongelukkige werklieden? Wat men ook zou kunnen verwachten, men verkreeg niets anders dan die massa dwaze prullen en kostbare en opzichtige weelde-artikelen, die sinds die dagen zeer terecht den verachtelijken naam van stoffeerderswerk hebben gedragen. Is dit het einde der geschiedenis van het verval der kunsten? Neen, er is nog een bedrijf aan het treurspel, droeviger of beter alnaar gij tevreden zijt, het als het laatste te beschouwen of aangespoord zijt tot ontevredenheid, d. w. z. tot de hoop op iets beters. Ik heb u gezegd, hoe de arbeider verlaagd was tot een machine, ik moet u nog zeggen, hoe hij zelfs van die duizelingwekkende hoogte van achting voor zichzelf werd omlaag geduwd.

         Op het einde der achttiende eeuw was Engeland een land, dat fabriceerde te midden van andere landen, die eveneens fabriceerden; haar fabriekswezen was nog ondergeschikt aan haar landbouw en stond daarmee in verband ; in vijftig jaren was dat alles veranderd en was Engeland het fabrieksland der wereld, dikwijls met trots zoo genoemd door haar vaderlandslievende zonen. Deze vreemde en meest ingrijpende omwenteling was veroorzaakt door de machine, die de wisselvalligheden en veranderingen der wereld, een punt, te ingewikkeld om hier te bespreken, ons volk hadden opgedrongen. Gij moet u deze groote machine-industrie voorstellen, ter eene zijde als een natuurlijk gevolg van het voortbrengen voor winst in plaats van een levensonderhoud, wat reeds begon in den tijd van Sir [p. 22] Thomas More en ter andere zijde als een revolutionnaire verandering van het stelsel van verdeeling van arbeid. Mijn eigen werk gaf mij aanleiding tamelijk diep door te dringen in de bijzonderheden van het fabrieksstelsel der achttiende eeuw en ik kon duidelijk zien, hoe verschillend het is van het fabrieksstelsel onzer dagen, waarmede het gewoonlijk verward wordt; vandaar de groote sympathie, waarmede ik de volledige verklaring van de verandering en hare uitwerking heb gelezen in de geschriften van een man, laat mij zeggen een groot man, dien ik niet noemen mag in dit gezelschap, naar ik gis, doch die mijn blik op verscheidene punten (die ik ook hier niet mag aanroeren) verhelderde en die betrekking hebben op dit onderwerp arbeid en zijn voortbrengselen. Doch dit moet ik tenminste zeggen, dat waar een man onder het achttiend-eeuwsche stelsel van verdeeling van arbeid gedwongen was, zijn leven lang aan een onbeduidend stuk werk te arbei den op een weinig verheffende, werktuigelijke wijze, waarbij hij echter begreep, wat hij maakte, hij onder het fabrieksstelsel en de bijna automatische machine, waarin wij thans leven, vaak genoeg van werk kan veranderen en zelfs van machine tot machine gedreven kan worden en nauwelijks zal weten, dat hij iets voort-brengt; met andere woorden, onder het achttiend-eeuwsche stelsel was hij verlaagd tot een machine, onder ons tegenwoordige systeem is hij de slaaf eener machine. De machine beveelt hem wat hij doen moet, op straffe van den hongersdood te sterven. Ja, en niet in overdrachtelijken zin; de machine kan hem b. v., indien zij daar neiging toe gevoelt, en haast wil maken, dwingen, dertig mijlen per dag in plaats van twintig af te leggen en hem naar het werkhuis zenden, indien hij weigert. [p. 23] Als gij mij nu vraagt (het is slechts bijzaak) wie er erger aan toe is, de machine-arbeider der achttiende eeuw of de slaaf der machine van de negentiende, ben ik ver-plicht te zeggen: de laatste. Indien ik u mijn redenen hiervoor opgaf, zouden weinigen onder u het met mij eens zijn, en ik ben er niet zeker van, of gij mij met deze lezing zoudt laten voortgaan; zij zijn in elk geval min of meer ingewikkeld. Doch de vraag, welke groep van werklieden het beste werk leverden, kan ik met weinig moeite beantwoorden. De machine-arbeider moest in zijn onaanzienlijke taak tenminste bekwaam zijn, de slaaf van de machine behoeft slechts weinig vaardigheid en het is een feit, dat zijn plaats door vrouwen en kinderen ingenomen is en de bekwaamheid die bij dezen arbeid noodig is, komt neer op het toezicht op het werk van deze laatsten. Om kort te gaan, het tegenwoordige stelsel van de fabriek en haar alles beheerschende machine leidt tot het verdwijnen van allen bekwamen vakarbeid.

         Hier ziet men dus een vreemde tegenstelling, die ik u dringend ter overweging voorleg, tusschen den handwerksman der middeleeuwen en dien van den tegenwoordigen tijd. De arbeider uit de middeleeuwen gaat aan het werk, wanneer hij wil, in zijn eigen huis; maakt waarschijnlijk zelf zijn gereedschap, werktuig of eenvoudige machine, zelfs voordat hij zich zet aan zijn weefsel of zijn brok klei of wat dan ook. Zelf bepaalt hij hoe hij zijn werk versieren zal en zijn geest en hand ontwerpt dit en voert het uit; de traditie, d. w. z. de gedachten en de geest van alle werklieden, die hem voor zijn gegaan helpen en leiden hem in zoover het den concreten vorm van zijn ambacht betreft, doch overigens is hij geheel vrij. Wij moeten ook niet vergeten, dat zelfs al woont hij in een stad, de velden en liefelijke weiden [p. 24] dicht aan zijn huis grenzen en hij somtijds zich onledig houdt met daarin te arbeiden en meer dan eens of tweemaal in zijn leven heeft hij den boog en strijdbijl van den muur moeten nemen en kans geloopen, het groote mysterie van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen in de gelederen van den strijd; dikwijls voor de geschillen van anderen, doch soms ook voor zichzelf en dan niet altijd geheel zonder succes.

         Doch hoe werkt en leeft zijn plaatsvervanger? Daar weten wij allen wel iets van. Hij moet zorgen bij de poort der fabriek te zijn, zoodra de bel gaat of hij wordt beboet of weg gezonden. De poort der fabriek staat zelfs niet altijd voor hem open; indien de patroon, die zelf afhankelijk is van de markt, waarvan hij weinig en de knecht niets afweet, hem geen ruimte verschaft, om in te arbeiden en geen machine, om aan te werken, moet hij terugkeeren en kan hij langs de straten slenteren, zooals vele duizenden tegenwoordig doen in Engeland. Maar verondersteld dat hij een plaats in de fabriek vindt, dan staat hij daar voor zijn machine; hij moet haar volgen op en neer, dag in, dag uit en de gedachten die bij hem opkomen, behoeft hij niet aan zijn machinalen arbeid te geven. Ik herhaal, op zijn best zal hij weten wat de machine (niet hij zelf) maakt. Wat heeft hij met het ontwerp of de versiering te maken? Hij kan evengoed een machine hanteeren, die een goed stuk werk levert of medeplichtig zijn (in zeer geringe mate) aan een afschuwelijk stukje bedrog op het gebied van kunst, toch zal hij voor het een zoowel als voor het andere evenveel loon ontvangen en voor beide even weinig aansprakelijk zijn. Alle godsdienst, zedeleer, weldadigheid en vrijheid der negentiende eeuw kunnen die schande niet van hem afwenden. Moet ik nog zeggen, hoe en waar hij woont? Gehuisvest in onhoudbaar [p. 25] warme hondehokken met eindelooze rijen van dergelijke hondenhokken tusschen hem en de schoone velden en weiden van het land, dat men met bijtenden spot „het zijne" noemt. Op sommige vacantie dagen worden zij opgepakt in een trein vervoerd, om een blik op dat schoone te kunnen slaan, om in den avond weer terug gebracht te worden naar hun vuile krotten. Arme drommels!

         Zeg mij nu eens op wat tijdstip in zijn leven gij dezen arbeider aan het werk wilt zetten, om den arbeid na te bootsen van den vrijen ambachtsman der veertiende eeuw en hoe gij van hem evengoed werk verwachten kunt?

         Ik wil mijn argument echter niet verzwakken door te overdrijven en erken, dat ofschoon er een groote hoeveelheid van zoogenaamd artistiek werk afgeleverd wordt door dezen slaaf der machine ter voldoening aan de een of andere belachelijke markt-aanvraag, de ambachten, betrekking hebbende op het bouwvak, nog niet dit stadium in de omwenteling der nijverheid hebben bereikt en nog werken naast het fabrieks- en machine-stelsel. Toch valt hier ook de voortgang van het verval in het oog, daar er onder de ambachtslieden der achttiende eeuw nog iets rondwaarde van de traditie van nu teloor gegane kunst, terwijl tegenwoordig in diezelfde ambachten het stelsel van verdeeling van arbeid diep wortel heeft geschoten zoowel bij den architect als den opperman en bovendien is het peil der volmaaktheid, wel verre van eenige overeenkomst te vertoonen met dat van den vrijen arbeid van de gilden, ver gezonken beneden den standaard van den man, die door het stelsel van verdeeling van arbeid tot slaaf gemaakt was in de achttiende eeuw en staat nu niet hooger dan dien van den wolpluizer in de groot-industrie; om kort te gaan, [p. 26] de arbeider van de groote machine-nijverheid is het werkmanstype van heden.

         Het is zeker merkwaardig, dat wij lachen bij de gedachte aan de mogelijkheid, dat een Grieksch werkman een Gothisch gebouw zou vervaardigen of een Gothisch werkman een Grieksch en er niets buitensporigs in vinden, dat een arbeider uit den tijd van koningin Victoria een Gothisch gebouw zou optrekken. En dit, niettegenstaande wij verscheidene exemplaren bezitten van werk uit de Renaissance periode, waarin de werklieden onder den invloed van de schoolsche richting dier tijden den naam hadden van de oude klassieke werken na te kunnen bootsen, en deze nabootsing onweerlegbaar den stempel draagt van hun eigen tijd, en al hun verdienste juist in die eigenaardigheden bestaat, een merkwaardig verschijnsel en misschien wel een der meest ontmoedigende teekenen van het verval der kunsten in den tegenwoordigen tijd. Men zal mij misschien voorhouden, dat de geschiedkundige kennis waarover ik reeds gesproken heb en die ontbrak aan de schoolschheid der Renaissance en der achttiende eeuw, ons in staat gesteld heeft het wonder te verrichten, de doode eeuwen tot het leven terug te roepen; maar in mijn oog is het vreemd, geschiedkundige kennis en inzicht zoo op te vatten, dat het ons doet trachten, weer terug te keeren tot het verleden in plaats van eenig licht op de toekomst te werpen, een vreemde opvatting van de continuïteit der geschiedenis, die ons de veranderingen over het hoofd doet zien, die de eigenlijke kern van die continuïteit uitmaken. Inderdaad, de kunst van het laatste tijdperk, dat der Renaissance, welke ten slotte geheel onderging in de onbeduidendheid van het dilettantisme onder de laatste Georges, toonde een verwaand zelfvertrouwen, zooals ik reeds opmerkte, die haar ver-[p. 27] hinderde een anderen stijl na te bootsen dan één bepaalde, en dezen eenen beschouwde zij als een deel van zichzelf. Zij kon evenmin een anderen stijl kiezen als de Grieksche of Gothische kunst daartoe in staat was; zij erkende geheel, ofschoon stilzwijgend, de evolutie der geschiedenis, evenals zij den werkman van het verdeeling-van-arbeid-stelsel erkende, en deed haar best; ook ging er wel eenig leven van haar uit, hoewel dit weinig opgewekt was en de sporen droeg van de domme, ofschoon onbewimpelde overheersching van de hoogere klassen, die een kenmerk was van die periode.

         Doch wij, wij weigeren de evolutie der geschiedenis te erkennen. Wij zetten onzen machine-slaaf aan het werk, om den arbeid van den vrijen middeleeuwschen werkman of dien van het overgangstijdperk te verrichten, onverschillig welk. Wij hebben inderdaad de kunst geleerd ons te hullen in de afgedragen kleeren van anderen en spelen een vreemd, gehuicheld komediespel weliswaar met een veeleer aarzelende domheid dan met een hooghartig zelfvertrouwen, doch vastbesloten onze oogen te sluiten voor alles wat onaangenaam is, terwijl wij geen acht slaan op den stillen voortgang der werkelijke geschiedenis, die zich steeds voortbeweegt onder onze poppenkasterij.

         Zulk een toestand is inderdaad een bewijs van verandering, misschien van een spoedigen, maar zeker van een algeheelen ommekeer; een bewijs van het zichtbare einde van het eene tijdperk en het begin van het andere. Want vreemd genoeg hebben wij hier een maatschappij, die op haar beschaafd uiterlijk geen eigen karaktertrekken draagt, maar waarvan het eene deel zich hierheen, en het andere zich daarheen richt; één deel voelt zich getrokken tot de schoonheid van het verleden, een ander tot de logica van de toekomst, doch allen zijn er [p. 28] vast van overtuigd, dat zij slechts de hoofden hebben te tellen van hun individueele richting, om een veelomvattenden groep te vormen die de wereld zal kunnen regeeren ondanks geschiedenis en logica, terwijl zij geheel den onvermijdelijken ontwikkelingsgang over het hoofd zien die zelfs hun zwakke verblindheid gemaakt heeft tot wat zij is. En onder dit beschaafde oppervlak werkt steeds door het groote handelstelsel, dat de ontwikkelden beschouwen als hun ondergeschikte, die de maatschappij bijeenhoudt, doch dat in werkelijkheid hun meester is, die de maatschappij ontbinden zal, want in zijn diepste wezen beteekent het een strijd en zal zijn karakter slechts met zijn dood kunnen veranderen: mensch tegen mensch, klasse tegen klasse met dit motto: „Wat ik mis, moet gij verliezen." Deze strijd zal doorgaan totdat de groote verandering komt, waarvan het einde vrede is en geen strijd.

         En wat zijn wij, die hier tezamen zijn gekomen, na zeven jaren in alle bescheidenheid gestreden te hebben voor het recht van bestaan, het recht iets te mogen doen? Zijn wij niets dan stroohalmen in den oceaan van half-bewuste huichelarij, die wij de beschaafde maatschappij noemen? Ik hoop van niet. Wij keeren ons tenminste niet tegen de maatschappij, om te zeggen: Dit is slecht en dat is goed, dit staat mij aan en dat niet, doch wij zeggen veeleer: Dit was leven en deze, de werken onzer vaderen, zijn er de zichtbare bewijzen van. Datzelfde leven leeft ook in u; ofschoon gij het vergeten zijt, ofschoon gij die zichtbare bewijzen daarvan over het hoofd ziet, zullen zij eenmaal gewaardeerd worden; en die ontwikkelingsgang, die zelfs nu bezig is, de maatschappij der toekomst te vormen, heeft ons onder meer aangespoord, die bewijzen van het verleden en het heden naar ons beste vermogen in eere te houden. [p. 29] De hedendaagsche maatschappij is, ondanks haar anarchisme, bezig een nieuwe orde te vormen, waarvan wij met allen die, laat ik maar zeggen, den moed bezitten, de werkelijkheid te aanvaarden en allen namaak te verwerpen, een deel zullen uitmaken, zoodat ten langen laatste onze arbeid niet geheel verloren zal zijn, hoe hopeloos hij ons ook soms moge schijnen. Want waarvoor strijden wij ten slotte? Voor waarachtige kunst, d.w.z. het waarachtig genot van het menschdom.

         De handeldrijvende of concurreerende richting in de maatschappij die zich gedurende driehonderd jaren ontwikkeld heeft, voerde naar de vernietiging van alle levensgenot. Doch deze concurreerende maatschappij heeft zich nu zoover ontwikkeld, dat, zooals ik reeds zeide, haar eigen verandering en dood nabij is en één bewijs van die verandering is wel, dat velen de vernietiging van alle levensgenot niet langer als een noodzakelijkheid beschouwen, doch als iets waartegen wij moeten opkomen. Van de oprechtheid en wezenlijkheid van die hoop hangt het bestaan, de reden van bestaan van ons genootschap af. Geloof mij, een kleine groep ontwikkelde menschen kan onmogelijk de belangstelling gaande houden in de kunst en de overleveringen van het verleden onder de tegenwoordige omstandig-heden, waarin velen een vernederenden en hartbrekenden strijd om het bestaan moeten voeren en enkelen zonder eenige energie door het leven slenteren. Doch wanneer de maatschappij zoo vervormd is, dat alle burgers een leven zullen kunnen leiden, verdeeld in voldoenden vrijen tijd en redelijken arbeid, zal de gansche maatschappij en niet ons genootschap alleen, er toe komen, oude gebouwen te beschermen tegen elke onwillekeurige of moedwillige schade, want dan zullen zij eindelijk begrijpen, dat deze bouwwerken een deel [p. 30] van hun tegenwoordig leven, een deel van hen zelf zijn. Die toestand zal komen, als de tijden er rijp voor zijn; want zelfs indien zij zich nu al bewust waren van wat zij nu te loor laten gaan, zouden zij het niet kunnen verhinderen, want zij leven in een tijd van strijd, d.w.z. van roekelooze verkwisting.

         Wij leden van dit genootschap hebben vaak genoeg deze waarheid ondervonden, hebben dikwijls moeten bekennen, dat indien er achter de vernietiging of verwoesting van een oud kunstwerk of geschiedkundig gebouw een „geldkwestie" stak, het hopeloos was, daartegen te strijden. Laat ons niet te zwak of lafhartig zijn, om dit feit onder de oogen te zien, want ofschoon ons aandeel in het vormen der toekomstige maatschappij nog zoo nederig moge zijn, er is voor ons geen andere uitweg mogelijk. Laat ons erkennen, dat wij leven in een tijd van barbarisme tusschen twee periodes van orde, de orde van het verleden en de orde der toekomst, en al zijn er sommigen onder ons, die (zooals ik) denken, dat het einde van dat barbarisme naderende is, en anderen, die het nog op verren afstand wanen, toch kunnen wij allen, de optimisten en zij die meer pessimistische verwachtingen koesteren, samenwerken om de overblijfselen der oude orde te bewaren voor de leering, het genot en de hoop der nieuwe orde. Zoo zal de strijd in het heden een weinig minder rampspoedig zijn, en de vrede in de toekomst meer vrucht kunnen dragen.