HOMELife & WorksAbout the SocietyMemberhip & DonationsPublications Events  •  Links

Morris, William. "Kunst en Socialisme." Kunst en Maatschappij [Art and Society]. Trans M. Hugenholtz-Zeeven. Introd. Henri Polak. 2nd ed. Rotterdam [Brusse]: Nieuwe Uitgave, 1905. 104-135.

Het Doel en Streven der Hedendaagsche Engelsche Socialisten.
Lezing gehouden voor het Anti-Klerikaal Genootschap te Leicester, 23 Januari 1883.

         Mijne vrienden, ik verzoek u een blik te werpen op de verhouding tusschen de Kunst en den Handel, waarbij ik dit laatste woord bezig in zijn meest gebruikelijken zin, nl. dien van het concurrentiestelsel, in waarheid den eenigen vorm, waaronder men zich tegenwoordig den Handel denkt. Terwijl er tijdperken zijn geweest in de wereldgeschiedenis, toen de Kunst den schepter zwaaide over den Handel, toen Kunst een zaak van gewicht was en Handel, zooals wij het woord opvatten, weinig beteekende, zal men nu integendeel algemeen erkennen, dat de Handel van zeer groot en de Kunst van zeer weinig belang is. lk zeg, dat men dit algemeen zal erkennen, [page 106] doch verschillende personen zullen van meening verschillen niet alleen omtrent de vraag of dit goed of verkeerd is, maar ook omtrent de eigenlijke beteekenis van ons beweren, dat de Handel van zoo groot belang is geworden en dat de Kunst gedaald is tot een zaak van heel weinig belang.

         Sta mij toe u mijn verklaring hiervan te geven, waarna ik u zal verzoeken te overleggen op welke wijze men het kwaad kan genezen, dat bestaat in de verhouding tusschen Kunst en Handel. Ronduit gezegd beschouw ik de oppermacht van den Handel (zooals wij het woord opvatten) als een zeer ernstig kwaad; en ik zou het een onvoorwaardelijk kwaad noemen, ware het niet, dat door de eigenaardige continuiteit van het leven, die men door alle geschiedkundige gebeurtenissen volgen kan, het kwaad zelf van deze of die periode leidt tot zijn eigen ondergang. Want in mijn oog beteekent het dit: dat de wereld der moderne beschaving in haar haast om tot een zeer ongelijk verdeelden maatschappelijken voorspoed te geraken, de volkskunst geheel heeft verdrongen, of met andere woorden, dat het grootste deel des volks geen aandeel heeft in de Kunst, welke onder de gegeven omstandigheden in handen moet blijven van eenige rijke of gegoede lieden, die haar naar onze opvatting minder en niet meer noodig hebben dan de ijverige werkers. Dit is niet de geheele omvang van het kwaad en ook het ergste niet; want de oorzaak van deze schaarschte van Kunst is dat de menschen, die de geheele beschaafde wereld door even hard werken als ooit te voren, de natuurlijke vertroosting van hun arbeid verloren hebben door het verlies eener Kunst, die voor en door het volk beoefend werd; een vertroosting die zij eens bezeten hebben en altijd moesten hebben; de gelegenheid, hun eigen gedachten kenbaar te maken aan hun medemenschen door [page 107] middel van dien arbeid, van dat dagelijksch werk die de natuur of langdurige gewoonte, een tweede natuur, van hen verlangt, doch zonder te eischen, dat dit een onbeloonde en weerzinwekkende last zou worden. Doch door een zonderlinge verblindheid en afdwaling van de nieuwere beschaving is 's werelds arbeid, bijna alle arbeid, die tot steun moest zijn, tot een last geworden, die elkeen, indien mogelijk, van zich zou willen wentelen. 1k heb gezegd, dat de menschen niet minder vlijtig werken dan zij vroeger deden, doch ik had moeten zeggen, dat zij vlijtiger arbeiden. De bewonderenswaardige machines die in de hand van rechtvaardige en verstandige menschen gebruikt hadden moeten worden om weerzinwekkenden arbeid tot een minimum teug te brengen en vreugde aan de menschheid te geven of met andere woorden hun levensgenot te vermeerderen, zijn integendeel op zulk een wijze gebruikt, dat zij alle menschen tot koortsachtige haast hebben aangedreven, en zoo alle vreugde, dat is levensgenot, hebben verjaagd: zij hebben den arbeid van den werkman verzwaard in plaats van verlicht en zoodoende nog meer ellende gevoegd bij den last, dien de arme al reeds te dragen heeft.

         Ook kan men niet ten voordeele van het stelsel der moderne beschaving pleiten, dat het bloot stoffelijke of lichamelijke voordeel opweegt tegen het verlies van levensgenot, dat het der wereld gebracht heeft, want zooals ik reeds heb gezegd, dat voordeel is zoo ongelijk verdeeld dat het contrast tusschen armen en rijken schrikbarend vergroot is zoodat men in alle beschaafde landen en vooral in Engeland het treurig schouwspel te zien krijgt, dat twee volkeren naast elkander straat aan straat en deur aan deur wonen, menschen van hetzelfde bloed, dezelfde taal en tenminste in naam levende onder dezelfde wetten, doch het eene [page 108] beschaafd en het andere onbeschaafd. Dit alles is het gevolg van het stelsel, dat de Kunst ten onder heeft gebracht en den Handel tot een gewijden godsdienst heeft verheven; en dat naar allen schijn gereed staat om met de ongeloofelijke domheid, die zijn voornaamste eigenschap is, den Romeinschen satirist te bespotten voor zijn welgemeende waarschuwing door haar in omgekeerden zin op te vatten en ons nu vraagt alle bestaansredenen van het leven te vernietigen, ter wille van dat leven zelf. En nu stel ik tegenover deze domme tyrannie een eisch ten gunste van den arbeid, die in boeien geklonken is door den Handel, wiens goed recht naar het mij voorkomt, door geen denkend mensch betwijfeld worden zal, doch die, indien men dienovereenkomstig handelde, zulk een verandering teweeg zou brengen, dat de Handel het onderspit zou moeten delven; d.w.z. die Samenwerking in plaats van Concurrentie, Maatschappelijke orde in plaats van Anarchistisch lndividualisme zou brengen. lk heb dezen eisch beschouwd in het licht van de geschiedenis en mijn eigen geweten, en zoo bezien lijkt hij mij hoogst rechtvaardig en zou verzet niet anders beteekenen dan een ontkenning van de hoop op beschaving. Dit nu is de eisch: Het is billijk en noodzakelijk, dat alle menschen werk te verrichten hebben, dat het arbeiden waard en van aangenamen aard is en dat onder omstandigheden, die het noch te zeer inspannend noch te gejaagd maken. Hoe ik dezen eisch ook bezie, hoe lang ik er ook over denk, ik kan niet vinden, dat het een overdreven eisch is; en toch herhaal ik, dat de geheele wereld een ander aanzien zou krijgen als de Maatschappij hem kon of wilde inwilligen, er zou een einde komen aan alle ontevredenheid en strijd en oneerlijkheid. Te voelen dat wij werk verrichten nuttig voor anderen en aangenaam voor onszelven [page 109] en dat de rechtmatige belooning voor zulk een arbeid niet uit zou kunnen blijven! Wat ernstig leed zou ons dan kunnen geschieden? En de prijs, dien wij betalen moeten om de wereld zoo gelukkig te maken, is de Revolutie: Het Socialisme in plaats van het Laissez Faire.

         Wat kunnen wij, menschen van de gegoede klassen, doen om dezen toestand in het leven te roepen: een toestand zooveel mogelijk het tegenovergestelde van den tegenwoordigen? Het tegenovergestelde; niets minder dan dat. Want ten eerste: Het Werk moet den Arbeid waard zijn; denk eens aan de veranderingen, die dit in de wereld brengen zou! lk verzeker u, dat ik duizel bij de gedachte aan de groote hoeveelheid werk, die besteed wordt aan het maken van nuttelooze voorwerpen. Het zou bepaald ontwikkelend zijn voor iemand, die er kracht genoeg voor heeft, op een werkdag door twee of drie der voornaamste straten van Londen te loopen en nauwkeurig acht te geven op alles in de winkelramen, wat hinderlijk of overbodig is voor het dagelijksch leven van een ernstig mensch; aan de meeste dezer dingen heeft niemand behoefte, hij zij dan ernstig of niet; slechts een dwaze gewoonte doet zelfs den oppervlakkigste onder ons denken dat hij ze noodig heeft en voor een menigte menschen, zelfs voor hen die ze koopen, zijn zij inderdaad hinderpalen voor werkelijken arbeid, nadenken en genoegen. Doch denk eens aan de groote menigte menschen, die zich bezig moeten houden met deze ellendige prullen, van de werktuigkundigen of die de machines moesten maken om ze te kunnen vervaardigen, tot de ongelukkige kantoorbedienden die dag aan dag, jaar in jaar uit in de afschuwelijke holen moeten zitten waar zij in het groot verhandeld worden, en de winkeliers die hun ziel niet eens hun eigendom durven noe- [page 110] men en ze in het klein onder tallooze beleedigingen, die zij niet mogen kwalijk nemen, aan het nietsdoende publiek verkoopen, dat ze niet noodig heeft doch ze koopt en dat ze al heel spoedig ten doode toe vervelen. Ik spreek nu over de voorwerpen, die slechts nutteloos zijn, doch er zijn andere, niet alleen nutteloos, doch beslist schadelijk en vergiftigd, die een goeden prijs opbrengen op de markt; b.v. vervalschte eetwaren. Het aantal slaven, dat het Winstsysteem gebruikt om zulke schandelijkheden voort te brengen, is inderdaad groot. Doch afgescheiden hiervan bestaat er een groote massa arbeid, die eenvoudig verspild wordt, duizenden mannen en vrouwen maken Niets met vreeselijke en onmenschelijke inspanning die de ziel doodt en het leven verkort.

         Deze allen zijn de slaven van wat men weelde noemt, die in den nieuweren zin des woords een massa schijnwelstand inhoudt, de uitvinding van het Winstsysteem, en niet alleen de armen die gedwongen zijn aan zijn voortbrenging te arbeiden, tot slaven maakt, doch ook de dwaze en niet zeer gelukkige menschen, die het koopen en zich zelf daarmede een last op de schouders leggen. Indien wij Volkskunst of Kunst van welken aard ook willen bezitten, moeten wij eens en vooral deze weelde afschaffen; zij is de verdringster, het ondergeschoven kind der Kunst, zoo zelfs dat zij door menschen, die in dat opzicht geen onderscheidingsvermogen bezitten, gehouden is voor Kunst, de goddelijke vertroosting van menschelijken arbeid, de poëzie van de dagelijksche, moeilijke beoefening der zware kunst van leven. Doch ik zeg, dat de kunst daarnaast niet bestaan kan, evenmin als zelfstandig in welken zin ook. Weekelijkheid en grofheid zijn haar metgezellen ter rechter- en linkerzijde. Hiervan moeten wij, de gegoede klasse, [page 111] ons in de eerste plaats bevrijden, indien wij de nieuwe geboorte der Kunst inderdaad ernstig wenschen; en indien wij dit niet doen, dan zal het bederf een diepen kuil graven voor den ondergang der maatschappij, waaruit dan zeker de nieuwe geboorte ontstaan kan, doch alleen vergezeld van angst, geweld en ellende. Waarlijk, indien wij ons zelven, de gegoede klasse, alleen nog maar bevrijdden van dezen berg van nietswaardige prullen, zou het al een stap in de goede richting zijn: dingen, waarvan iedereen het nuttelooze erkent; de kapitalisten weten zeer goed, dat er geen eigenlijke gezonde vraag naar is en zij zijn genoodzaakt ze aan den man te brengen door een zonderling koortsachtig verlangen te verwekken naar kleinzielige opwinding, waarvan het uiterlijk kenmerk bekend staat onder den naam van mode, een monsterding, geboren uit de onbeduidendheid van het leven der rijken en de zucht van het Winstsysteem om de groote menigte werklieden zooveel mogelijk uit te buiten, die zij opkweekt als werktuigen met wie zij geen rekening heeft te houden, alleen met het doel winst te maken.

         Denk niet, dat het van weinig belang is, deze monsterachtige dwaasheid te weerstaan; het zelfstandig denken over wat gij werkelijk zelf begeert, zal niet alleen mannen en vrouwen van u maken, doch u ook doen denken aan de verlangens van anderen, daar gij spoedig zult vinden, als gij een kunstwerk hebt leeren kennen dat slaafsche arbeid niet wenschelijk is. En hier hebt ge bovendien een gering kenteeken, waarbij gij het verschil kunt zien tusschen een prul der mode en een kunstwerk: als de eerste glans van het modeding verdwenen is, wordt het beslist waardeloos zelfs voor den oppervlakkigen mensch, terwijl een kunstwerk, hoe gering ook, van langen duur is; het verveelt ons nooit, zoolang er nog [page 112] een stuk van heel is blijft het van waarde en van belang voor elk nieuw geslacht. Kortom, alle kunstwerken bezitten de eigenschap eerbied te wekken ook in hun verval, en met reden, want van den aanvang of zat er ziel in, de gedachte des menschen, die zichtbaar zal zijn zoolang het lichaam blijf bestaan, waarin zij geplant werd.

         En die laatste zin leidt mij tot een andere overweging, waarom het noodzakelijk is, dat de arbeid zich alleen bezig houdt met het vervaardigen van goederen, die het maken waard zijn. Tot hiertoe hebben wij dit alleen beschouwd uit het oogpunt van den verbruiker, en zoo was het waarlijk reeds belangrijk genoeg; doch van een ander standpunt, dat van den voortbrenger, is het nog van veel meer gewicht. Want ik zeg nog eens dat door deze dingen te koopen gij menschenlevens koopt! Wilt gij uit zuivere dwaasheid en gedachteloosheid uw deel dragen van de schuld van hen, die hun medemenschen dwingen nutteloozen arbeid te verrichten? Want toen ik zeide, dat alle dingen het maken waard moeten zijn, stelde ik dien eisch voornamelijk ten behoeve van den Arbeid, daar het vervaardigen van nuttelooze zaken den arbeider dubbel benadeelt. Als deel van het publiek wordt hij gedwongen ze te koopen en wat hij van zijn ellendig loon overhoudt wordt hem ontnomen door een soort van gedwongen winkelnering; als een der voortbrengers wordt hij gedwongen ze te maken en daardoor verliest hij den grondslag van dat genoegen in zijn dagelijksch werk, dat ik als zijn geboorterecht voor hem eisch, hij wordt gedwongen zonder vreugde te arbeiden aan het vervaardigen van het vergif, dat de gedwongen winkelnering hem dwingt te koopen. En hierdoor wordt de groote massa, die door de grillen en het winstbejag van anderen gedwongen wordt, schadelijk en nuttelooze dingen te vervaardigen, opgeofferd aan de maatschappij. Dit zou vreese- [page 113] lijk en ondragelijk zijn, zelfs indien zij voor het welzijn der Maatschappij opgeofferd werden, zoo dat mogelijk ware; doch indien zij geofferd worden niet voor het welzijn der Maatschappij, doch voor haar grillen, om bij te dragen tot haar achteruitgang, wat voor kijk krijgt men dan op weelde en mode? Aan den eenen kant ziet men schadelijke en ergerlijke verkwisting, die van bederf tot bederf ten slotte voert naar een volkomen cynisme en de ontbinding der maatschappij, en aan den anderen kant onhoudbare verdrukking die alle genoegen en hoop in het leven vernietigt en leidt—waarheen? Hier is dus een ding, dat wij, de gegoede klasse, doen moeten, voordat wij den weg bereiden kunnen voor de nieuwe geboorte der Kunst, voordat wij ons geweten kunnen zuiveren van de schuld, dat wij menschen door hun arbeid tot slaven maken. Eén ding, en misschien zou dat eene voldoende zijn en zouden alle andere noodzakelijke veranderingen volgen; doch kunnen wij dat doen? Kunnen wij ontkomen aan het bederf der Maatschappij, waarmede wij bedreigd worden? Kan de gegoede klasse zich herzien? Op het eerste gezicht zou men zeggen, dat een zoo groote vereeniging van menschen die het reusachtige gebouw van den tegenwoordigen Handel hebben opgetrokken, wier wetenschap, uitvindingen en energie de natuurkrachten hebben dienstbaar gemaakt aan hun dagelijksche belangen en die de organisatie, welke deze natuurkrachten in bedwang houdt, op bijna bovennatuurlijke wijze leiden, alle macht in handen hebben en alles zouden kunnen. En toch betwijfel ik het: hun eigen schepping, de Handel, waarop zij zoo trotsch zijn, is hun meester geworden, en wij allen,leden der gegoede klasse, moeten erkennen, sommigen met een gevoel van zegepraal, anderen met een vaag gevoel van bevrediging en weer anderen met een bezwaard [page 114] gemoed, dat de Handel niet voor den mensch in het Leven geroepen is, doch de mensch voor den Handel.

         Aan alle zijden worden wij gedwongen, dit te erkennen. Er zijn tegenwoordig b.v. onder de gegoede klassen in Engeland mannen met de hoogste idealen voor de Kunst en van krachtigen wil: mannen, die diep overtuigd zijn van den eisch der beschaving, om 's menschen leven met schoonheid te omringen, en velen van minder bekwaamheid, duizenden misschien, beschaafd en ontwikkeld, volgen hen en juichen hun meeningen toe. Doch de leiders en de volgelingen beiden zijn niet in staat zelfs maar een half dozijn weilanden te redden uit den onverbiddelijken greep van het Winstsysteem, zij zijn ondanks hun ontwikkeling en hun genie even hulpeloos als even zoovele overwerkte schoenmakers. Minder gelukkig dan koning Midas, veranderen onze groene velden en heldere waterstroomen, ja zelfs de lucht, die wij inademen, niet in goud (waarin sommige onzer misschien een uur lang behagen zouden scheppen), maar in vuil en ronduit gezegd weten zij zeer goed, dat er niet alleen geen hoop op verbetering is onder het tegenwoordige evangelie van het Kapitaal, doch dat de zaken jaar op jaar en dag aan dag hoe langer hoe meer verergeren. Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij den verstikkingsdood door het vuil.

         Laat mij u een voorbeeld geven van den slavendienst der concurrentie waarin wij ongelukkige leden van de gegoede klasse leven. lk heb u gesmeekt u te ontdoen van alle overtollige weelde, u alle nuttelooze overbodigheden te ontzeggen, uw leven te vereenvoudigen en ik geloof, dat velen onder u het geheel met mij eens zijn in dat opzicht. Ik heb reeds lang de verhouding tusschen ons, de gegoede klasse, en onze dienstboden beschouwd als een der meest weerzinwekkende, die ons [page 115] tegenwoordig klasse-stelsel met zich voert: wij leven met onze dienstboden samen onder een dak, doch zijn niet veel meer dan vreemden voor elkander, niettegenstaande er dikwijls van weerskanten gevoelens van genegenheid bestaan; vreemden is nog te zacht uitgedrukt; ofschoon wij menschen zijn van hetzelfde bloed, gebonden door dezelfde wetten, leven wij te zamen als menschen van verschillende stammen. Denk eens welk een invloed dit moet hebben op het gewone dagelijksche huishoudelijke werk en of ons leven vereenvoudigt kan worden, zoolang zulk een stelsel duurt. Om maar een voorbeeld te noemen: gij allen onder ons, die aan het hoofd eener huishouding staat, weet maar al te goed (evenals ik, daar ik de nuttige kunst geleerd heb, een middagmaal te koken) hoe het dagelijksch werk vereenvoudigd zou worden, als de hoofdmaaltijden gezamenlijk gebruikt werden; indien men niet twee maaltijden noodig had, een voor boven, een voor beneden. En zeker kunnen wij kinderen dezer eeuw van opvoeding en ontwikkeling er niet onkundig van zijn hoe opvoedend het zou werken op de minder beschaafde leden eener huishouding, wanneer zij minstens eenmaal per dag de meer ontwikkelden ontmoeten konden op voet van gelijkheid; de goede manieren van welopgevoede vrouwen gade te slaan, van gedachten te wisselen met geleerde en bereisde mannen, met mannen van de daad en mannen van diepe gedachten, waarlijk, dat zou het lager onderwijs verre overtreffen.

         Dit punt hangt nauw samen met ons onderwerp over Kunst: want welk een onzinnige konijnenperken moeten onze gegoede huizen niet zijn als uitvloeisel van deze dwaasheid onzer schijnbeschaving, in plaats van ontworpen te worden op de oude verstandige wijze, die gebruikt werd van den tijd van Homerus of tot na den tijd [page 116] van Chaucer, nl. met een groote hal met een paar kamers daarin uitkomende om te slapen of te pruilen naar verkiezing. Geen wonder, dat onze huizen bekrompen en laag zijn, als de levens daarin geleefd ook bekrompen en laag zijn. En waarom veranderen wij, die over dit alles hebben nagedacht, zooals velen onzer zeker hebben gedaan, deze treurige en vernederende gewoonte niet, waarbij wij ons leven zouden vereenvoudigen en onze vrienden opvoeden, aan wier zwoegen wij zoo veel gemakken danken? Waarom gaan gij en ik deze verandering morgen aan den dag niet invoeren? Omdat wij niet kunnen: om dat onze dienstboden niet zouden willen, daar zij evenals wij weten, dat beide partijen er zich ellendig bij zouden gevoelen. De beschaving der negentiende eeuw verbiedt ons, den leden eener huishouding een gelijk aandeel in hare ontwikkeling te geven! Zoo ziet ge, dat indien wij, de gegoede klasse, behooren tot een machtige klasse en dat doen wij zeker, wij slechts een rol spelen, die in menig stadium der wereldgeschiedenis gespeeld is: wij zijn groot, doch ongelukkig; wij zijn gewichtige, deftige menschen, doch vervelen ons ten doode toe; wij hebben onze macht gekocht ten koste van onze vrijheid en ons levensgenot. Daarom kan ik zeggen in antwoord op de vraag: Kunnen wij alle weelde van ons doen en op eenvoudige en bescheiden wijze leven? Ja, wanneer we bevrijd zijn van de slavernij van den Kapitalistischen Handel; niet eerder.

         Er zijn ongetwijfeld onder ulieden menschen, die naar hun vrijheid verlangen; die ontwikkeld en beschaafd zijn en een fijn gevoel voor schoonheid en orde hebben, dat elk oogenblik gewond en beleedigd wordt door de ruwheid van het Winstsysteem, die hierdoor zoo achtervolgd en in het nauw gebracht worden, dat zij, hoewel misschien gegoed of zelfs rijk, nu niets te verliezen hebben voor [page 117] een maatschappelijke omwenteling: hun liefde voor de kunst d.w.z. voor het ware levensgenot, heeft hen hiertoe gebracht, dat zij gemeene zaak moeten maken met den loonslaaf der concurrentie, zij en hij moeten elkander helpen en een gemeenschappelijk doel hebben, of zij tenminste zullen leven en streven zonder hoop en zonder hulp. Gij die verlangt bevrijd te worden van de verdrukking der geldschrapers, hoopt op den dag, waarop gij gedwongen wordt tot vrijheid!

         Hoewel wij door die verdrukking zeer weinig kunnen doen van beteekenis, is er toch iets waarnaar wij streven kunnen, de verheffing van den levensstandaard, waar hij zijn laagste peil bereikt heeft, waar hij laag gedaald is: dat zal een spaak in het wiel steken van de zegekar van het Winstsysteem. Ik kan mij ook niets denken, wat eerder den levensstandaard verhoogen zal, dan velen van hen die leven van arbeid te overtuigen van de noodzakelijkheid, dat zij het tweede deel moeten steunen van mijn eisch ten behoeve van den Arbeid, nl. dat hun Werk aangename Arbeid behoort te zjjn. Als wij hen maar konden overtuigen, dat zulk een zonderlinge ommekeer in den Arbeid niet alleen voor hen zelven een oneindig groote zegen zou zijn, doch voor alle menschen, en dat het feit, dat het omgekeerde, nl. dat hun werk hun tot last is, natuurlijk en goed is, slechts een wanbegrip van later tijden is, dat ten langen laatste ondergang en verwarring der maatschappij, die dit veroorlooft, na zich slepen moet, dan zou er inderdaad kans op zijn, dat de uitdrukking Volkskunst iets meer dan een woord beteekende. Op het eerste gezicht schijnt het inderdaad een onmogelijkheid, mannen, geboren onder het tegenwoordige Handelsstelsel, te overtuigen, dat arbeid een zegen voor hen zou zijn: niet in den zin waarin dit hun soms voorgehouden [page 118] wordt door menschen, wier arbeid licht en gemakkelijk te vermijden is; niet als een taak, die de natuur op de schouders van den arme gelegd heeft ten behoeve van den rijke; niet als een verdoovend middel, om hun gevoel van recht en onrecht in slaap te wiegen, om zich rustig neer te leggen onder hun last tot het einde toe, hun meester en zijn betrekkingen zegenend; zij zouden dit best kunnen begrijpen, als wij dit tot hen zeiden en zouden soms, vrees ik, naar ons luisteren met een vertoon van instemming, indien zij dachten, dat zij daardoor iets van ons te wachten hadden. Doch de ware leer dat de arbeid een werkelijke en tastbare zegen voor den werkman moet zijn, een genot zooals slaap en sterke drank nu voor hem zijn, zou hij zeker heel moeilijk kunnen begrijpen, omdat het zooveel verschilt van zijn eigen ervaring van den arbeid.

         Niettegenstaande de meeste mannen hun werk dragen als een noodzakelijk kwaad zooals ziekte, heeft mijn ondervinding mij geleerd, dat de werkman, hetzij door een zekere wijding, die zelfs onder de slechtste omstandigheden nog altijd verbonden is aan handenarbeid, of doordat de arme, die door den nood gedrongen met de vreeselijke werkelijkheid van het leven in aanraking komt, indien hij al over zulke zaken nadenkt, minder onder den invloed der conventie is dan de rijke, ook in zijn wijze van denken, den eisch van den arbeid welke vraagt om het werk tot een genot te maken, beter kan begrijpen dan de rijke of gegoede. Mijn eigen onbeduidende woorden niet medegerekend, ben ik vaak verbaasd geweest over de gevoelens van hartelijkheid die in werkliedenvergaderingen heerschten tegenover John Ruskin; de arbeiders kunnen veeleer in hem den profeet zien dan den fantastischen redenaar, zooals het hoogstbeschaafde publiek. Dat beschouw ik als een goed [page 119] voorteeken voor de ontwikkeling der toekomst. Doch kunnen wij, die soms zoo door cynisme besmet zijn, om onze onmacht in de leelijke wereld, die ons omringt en bezwaart, onze eigen hoop niet verheffen tot de gedachte dat de weinige hoop die nog in het bezit is van de millioenen slaven van den Handel, iets meer is dan een zinsbegoocheling, iets meer dan de valsche dageraad na een bewolkten nacht, waarmede alleen de maan strijd voert? Laat ons toch bedenken, dat er nog gedenkteekenen in de wereld zijn, die ons toonen, dat alle menschelijke arbeid niet altijd alleen een kruis en een last geweest is. Laat ons denken aan de machtige en schoone bouwkunst b.v. van het Europa der middeleeuwen: aan de gebouwen opgetrokken voordat het Winstsysteem den laatsten steen gelegd had op het gebouw der tyrannie door de ontdekking, dat verbeeldingskracht, gevoel, scheppingsvreugde en hoop op welverdienden roem koopwaren zijn van te groote waarde om ze in het bezit te laten van menschen, die geen geld hebben om ze te koopen, handwerkslieden en daglooners; laat ons niet vergeten, dat er een tijd geweest is, toen de menschen genot in hun dagelijksch werk vonden, maar toch op ander gebied hoopten op licht en vrijheid zooals zij nu ook doen: hun flauwe hoop werd grooter en zij zagen haar schijnbare vervulling nader en nader komen en staarden er zoo verlangend naar, dat zij niet opmerkten, hoe de steeds waakzame vijand, de onderdrukking, van vorm veranderd was en hun ontstal wat zij reeds gewonnen hadden in de dagen, toen het licht hunner nieuwe hoop nog slechts een flauwe schijn was: zoo verloren zij de vroegere winst en bij gebrek hiervan veranderde en bedierf de nieuwe winst in iets, wat niet beter dan verlies was.

         Tusschen onzen tegenwoordigen tijd en het einde der [page 120] middeleeuwen heeft Europa vrijheid van denken, vermeerdering van kennis en groote macht over de stoffelijke natuurkrachten gewonnen, een betrekkelijke politieke vrijheid en eerbied voor het leven van beschaafde menschen, en andere voordeelen, die hiermede samengaan: toch zeg ik desondanks dat, indien de tegenwoordige inrichting der maatschappij zoo blijven zal, zij deze voordeelen te duur gekocht heeft ten koste van het genot in den dagelijkschen arbeid die eens voorzeker de massa troost gaf te midden van hun zorgen en druk: de dood der Kunst was een te hooge prijs voor de stoffelijke welvaart der gegoede klasse. Het was inderdaad bedroevend, dat wij onze beide handen niet gevuld konden houden, dat wij gedwongen werden, uit de eene te laten vallen, terwijl wij met de andere verzamelden; toch is het m.i. nog treuriger dat wij ons niet bewust zijn van dit verlies, of indien wij er al een flauw begrip van hebben, wij gedwongen zijn het te vergeten en uit te roepen dat alles goed is. Want ofschoon alles niet goed is, weet ik, dat de aard der menschen in drie eeuwen niet zulk een verandering heeft ondergaan, dat wij kunnen zeggen tot al de duizenden van jaren, die daaraan vooraf gingen: Gij deedt verkeerd met de Kunst te verheerlijken en nu hebben wij ontdekt, dat voedsel, kleeding en huisvesting alles is wat de menschen noodig hebben, met een klein weinigje kennis van de stoffelijke vorming van het heelal; scheppen is niet langer een behoefte der menschenziel, de rechterhand mag hare bekwaamheid vergeten, zonder dat de mensch er iets bij verliest.

         Wees ervan verzekerd, dat driehonderd jaren, een dag in den loop der eeuwen, den aard der menschen niet zoo geheel veranderd hebben: eens zullen wij de Kunst terugwinnen, d.w.z. het levensgenot; de Kunst herwinnen voor onzen dagelijkschen arbeid. Waarin ligt de hoop dan? [page 121] zult gij zeggen, toon ons haar! Daarin ligt de hoop, waar de hoop van vroeger dagen ons bedrogen heeft. Wij hebben de Kunst opgegeven voor wat wij beschouwden als licht en vrijheid, doch wat wij kochten was minder dan licht en vrijheid: het licht verhelderde veel voor de meergegoeden, als zij er naar wilden zien; de vrijheid liet de meergegoeden vrij genoeg, als zij hun vrijheid wilden gebruiken; doch dit waren op zijn best slechts enkelen: aan de meeste menschen toonde het licht, dat zij niet langer behoefden te hopen, en de vrijheid liet de meeste menschen vrij, om tegen een ellendig loon den slavenarbeid op te nemen, die het dichtst bij de hand was, of den hongerdood te sterven.

         Daarin ligt onze hoop, zeg ik. Als de koop werkelijk geheel eerlijk geweest was, dan zou ons niets anders overblijven dan de Kunst te begraven en de schoonheid des levens te vergeten: doch nu kan de Kunst zich nog op iets anders beroepen, nl. op de hoop van het volk op het levensgeluk, dat hun nog niet gegeven is. Daar ligt onze hoop: de zaak der Kunst is de zaak van het volk. Denk aan een stuk geschiedenis en hoop dan! Er was een tijd, toen de heerschappij van Rome de geheele beschaafde wereld in haar doodelijke omarming hield omvat. Die heerschappij scheen in het oog van alle menschen, zelfs de beste, zooals gij in de Evangeliën zien kunt, voorbestemd, om eeuwig te duren: zelfs konden zij, die onder haar leefden, zich geen andere wereld voorstellen buiten haar. Doch de dagen verliepen en ofschoon niemand ook maar een schaduw zag van de komende verandering, toch kwam deze als een dief in den nacht, en de Barbaren, de wereld die buiten de heerschappij van Rome lag, overvielen haar; en menschen, verblind van schrik, betreurden de verandering en achtten de wereld verdorven door de Furie van het [page 122] Noorden. Doch zelfs deze Furie bracht dingen mede, waarvan Rome reeds lang vervreemd was, eenmaal het voedsel waarmede zijn roem gevoed werd: afkeer van den leugen, versmading van rijkdom, doodsverachting, geloof in den goeden naam verkregen door getrouwe volharding, eerbare liefde voor vrouwen: al deze dingen voerde de Noordelijke Furie met zich mede, zooals de bergstroom het goud met zich voert, en zoo viel Rome en verrees Europa en de hoop der wereld was herboren. Voor hen, die ooren hebben om te hooren, is dit verhaal uit het verleden een zinnebeeld voor de dagen der toekomst, van de komende verandering, nu nog verborgen in het hart van het Barbarisme der beschaving het Proletariaat, en wij, de gegoede klasse, de kracht van het machtige, doch afschuwelijke stelsel der concurrentie, wij moeten onze ziel zuiveren van de zucht naar winstbejag en lafheid, en de verandering, die nu opnieuw onder weg is, onder het oog zien; een open oog hebben voor het goede en hoopvolle, dat zij met zich brengt onder alle dreigementen van geweld, onder alle leelijkheid, die niet uit zich zelf is ontstaan, doch uit datgene, wat zij thans gedoemd is te vernietigen.

         Nog eens wil ik zeggen, dat wij, de gegoede klasse, die de Kunst liefhebben, niet als een amusement, doch als een noodzakelijke aanvulling van het leven, als een bewijs van 's menschen vrijheid en geluk, tot heerlijke taak hebben de verheffing van den levensstandaard van het volk; of met andere woorden den eisch in vervulling te brengen dien ik voor den Arbeid heb gesteld en dien ik nu in een anderen vorm wil herhalen, opdat wij trachten te zien, wat ons in hoofdzaak belemmert dien eisch te vervullen en welke vijanden wij bestrijden moeten. Zoo stel ik dan nog eens dien eisch: niemand [page 123] moet werk vervaardigen, dat den arbeid niet waard is of waarvan de vervaardiging vernederend is voor de arbeiders.

         Hoe eenvoudig dit voorstel is en hoe billijk het u zal toeschijnen, zult gij toch bij nadere beschouwing zien, dat het een uitdaging op leven en dood is van het tegenwoordige arbeidssysteem in de beschaafde landen. Dat stelsel, dat ik het winstsysteem heb genoemd, is ontegenzeggelijk een stelsel van strijd, dat is van verkwisting en vernietiging of dobbelen indien ge wilt; want onder dit stelsel geldt de regel, dat de winst van den een gaat ten koste van het verlies van den ander. Zulk een stelsel kan er geen acht op slaan, of de dingen, die het vervaardigt, het maken waard zijn; evenmin of de arbeiders door hun werk gedemoraliseerd worden: het let slechts op één ding, nl. het maken van winst, welk woord men zoo gewend is veel te gebruiken, dat ik u de eigenlijke beteekenis even moet uitleggen: de berooving van den zwakke door den sterke. Nu beweer ik, dat dit stelsel van nature doodend werkt op alle Kunst, d. w. z. op alle levensgeluk. Wat eerbied men nog toont voor het leven van het volk in onzen tijd, wat er nog gemaakt wordt dat den arbeid waard is, wordt gedaan ondanks het stelsel en geheel in strijd met zijn beginsel; en het is zeker waar, dat wij allen zwijgend toestemmen, dat het lijnrecht staat tegenover de hoogste idealen van de menschheid.

         Weten wij b. v. allen niet, hoe die mannen van genie werken, die het zout der aarde zijn en zonder wie het bederf der maatschappij reeds lang geleden ondragelijk zou geworden zijn? Is het niet waar dat de dichter, de kunstenaar, de man der wetenschap in hun eerste roemvoile dagen, in den bloeitijd van hun geloof en geestdrift, aan alle zijden gedwarsboomd worden door den [page 124] Handelsoorlog met zijn schampere vraag: "zal het winst opleveren?" Is het niet waar dat zij, zoodra zij naam beginnen te maken, zoodra zij betrekkelijk rijk worden, in ons oog ondanks onszelf besmet zijn door de aanraking met de handelswereld? Behoef ik nog te spreken over groote plannen, die niet ten uitvoer gebracht kunnen worden, of dingen, die in aller oog noodzakelijk gedaan moesten worden en die niemand flink op touw kan zetten uit gebrek aan geld; terwijl tonnen gouds binnenstroomen, zoodra de een of andere dwaze gril bij het publiek geschapen of aangewakkerd moet worden, die winst zal opleveren? Gij allen weet, hoevele oorlogen er in het leven geroepen zijn door den Handel in zijn zoeken naar nieuwe markten, die zelfs de meest vredelievende staatslieden niet hebben kunnen tegengaan; het is een oude geschiedenis en schijnt toch altijd nieuw en is nu geworden tot een soort bittere scherts, waarom ik liever niet zou willen lachen, doch wel lachen moet met een gemoed van toorn vervuld.

         En wat heeft de heerschappij over de natuurkrachten, die wij gedurende de laatste honderd jaren ongeveer verkregen hebben, onder dit stelsel voor ons gedaan? John Stuart Mill betwijfelde, of al de machinale uitvindingen der nieuwste tijden iets gedaan hebben, om den arbeid te verlichten: wij kunnen ons echter overtuigd houden, dat zij niet voor dat doel vervaardigd zijn, doch om winst te maken. Wat hebben die bijna bovennatuurlijke machines voor ons gedaan, die met oordeelkundige behandeling op het oogenblik zelfs allen bezwaarlijken en ongeschoolden arbeid zouden kunnen doen verdwijnen en ons vrij zouden kunnen laten, den standaard van vaardigheid en energie in onze werklieden te verhoogen, om opnieuw die schoonheid [page 125] en orde voort te brengen, die slechts de hand des menschen, die geleid wordt door zijn ziel, kan scheppen? Heeft de beschaafde wereld eenig recht zich te beroemen op het gebruik, waartoe de machines, waarop zij zoo trotsch is, aangewend zijn door den handelsoorlog en de handelsverkwisting?

         Ik geloof niet, dat groote blijdschap hier op haar plaats is; de handelsoorlog heeft winst gemaakt door deze wonderen, d.w.z. hij heeft door middel van deze voor zich zelf millioenen ongelukkige arbeiders geschapen, hersenlooze machines voor zoover het hun dagelijksch werk betreft, om goedkoopen arbeid te verkregen, ten einde zijn opwindend, doch doodend spel voort te kunnen zetten. Die arbeid zou goedkoop genoeg geweest zijn, goedkoop voor de generaals van den handelsoorlog en noodlottig duur voor ons overige menschen, indien de zaden der vrijheid, die de dappere strijders van voorheen gezaaid hebben, niet in onze dagen ontkiemd waren tot het Chartisme, de Werkliedenvereenigingen en het Socialisme, om te waken voor de handhaving der orde en een menschwaardig bestaan. Onze slavernij, en waarlijk niet alleen die van den werkenden stand, zou ontzettend geweest zijn, indien deze kiemen der komende verandering niet aanwezig waren geweest. Zelfs onder deze omstandigheden is onze levensstandaard door de roekelooze opeenhooping van machinearbeiders en allen aankleve van dien in de groote steden en de fabrieksdistricten tot een ellendige laagte gedaald, tot zulk een laagte, dat het moeilijk valt zelfs aan eenige verbetering te denken. Door middel der snelle verbinding, die de handel tot stand heeft gebracht en die den levensstandaard hadden moeten verhoogen door ontwikkeling te brengen van de stad naar het land en op ruime schaal bescheiden middelpunten te scheppen van vrij- [page 126] heid van denken en beschaafde gewoonten; door middel der spoorwegen en dergelijke heeft hij nieuwe rekruten om zich heen verzameld van het reserveleger van concurreerende gebreklijders, van wie zijn dobbel winst hoofdzakelijk afhangt, waardoor de bevolking aan het land onttrokken en alle hoop en leven uit de kleinere steden verdoofd wordt.

         Ik kan, als kunstenaar, de uiterlijke teekenen van deze treurige anarchie van den handelsoorlog ook niet als een der minst beteekenende verschijnselen beschouwen. Denk eens aan het zich steeds uitbreidende verderf van Londen, dat met zijn walgelijkheid veld en woud en heide opslokt zonder genade en zonder hoop, en onze zwakke pogingen om het minder groote kwaad van een met rook bezwangerde lucht en bevuilde rivier uit den weg te ruimen, zelfs bespot; aan de zwarte ellende en de roekelooze verwaarloozing onzer fabrieksdistricten, zoo weerzinwekkend voor de zintuigen van hen die er niet aan gewend zijn, dat het twijfel wekt aan de toekomst der menschheid, dat iemand daar nog leven kan met tamelijke opgewektheid; aan het platte land, waar de ellendige, haastig opgetrokken blokken van steen en lei de degelijke grijze woningen hebben verdrongen, die nog hier en daar verspreid staan, in hun vroolijken, doch schoonen eenvoud zinnebeelden van den Engelschen landbouwer, wiens ondergang in den destijds nog jongen handelsoorlog op zoo roerende wijze betreurd werd door den hoogstaanden More en den dapperen Latimer. Kortom, overal kan men, bij al wat betwijfeld worden kan, zeker zijn dat de overgang van het oude in het nieuwe een achteruitgang van het uiterlijk schoon van het land meebrengt.

         Zoo is de toestand in Engeland: het land van orde, vrede en betrouwbaarheid, het land van het gezond [page 127] verstand en het praktisch inzicht, het land waarheen de oogen zich richten van allen, die hoop koesteren op den voortgang en de volmaking van den vooruitgang. Er zijn landen in Europa, wier uiterlijk aanzien niet zoo bedorven is, ofschoon zij minder stoffelijken voorspoed, minder algemeen verspreide welvaart bezitten, die opwegen kan tegen de vervuiling en de ellende die ik genoemd heb: doch indien zij leden zijn van het groote handelsgeheel, moeten zij denzelfden weg bewandelen, tenzij er iets gebeurde dat den zegetocht van den Handelsoorlog verhinderde, voordat hij zijn einddoel bereikt. Hiertoe hebben drie eeuwen van Handel die hoop gebracht, welke geboren werd toen het leenstelsel in duigen viel. Wat kan ons nieuwe hoop geven? Wat, indien niet een algemeen verzet tegen de dwingelandij van den handelsoorlog? De geneesmiddelen, waarmede vele eerbiedwaardige menschen zich tegenwoordig bezighouden, zijn nutteloos: omdat zij slechts een ongeorganiseerd, tijdelijk verzet uitoefenen tegen een groote, zich snel uitbreidende organisatie, die met het onbewuste instinct eener plant iedere poging tot verbetering van den toestand van het volk beantwoordt met een vernieuwden aanval van een anderen kant; nieuwe machines, nieuwe markten, volksverhuizing in het groot, de herleving van dom bijgeloof, het prediken van spaarzaamheid aan gebreklijders, van matigheid aan de ongelukkigen; al deze dingen zullen alle gedeeltelijk verzet tegen het monster, dat wij, de gegoede klasse, in het leven geroepen hebben voor onzen eigen ondergang, telkens weder tenietdoen. Ik zal over deze zaak zonder omwegen spreken, ofschoon ik iets onaangenaams zal moeten zeggen, indien ik zeg wat ik denk. Het eenige wat gedaan moet worden is de menschen overal de mogelijkheid te laten [page 128] overzien van de verheffing van den levensstandaar d. Bij eenig nadenken zult gij erkennen dat dit beteekent het verwekken van algemeene ontevredenheid. En als bewijs, dat ik terugkeer tot mijn eisch ten behoeve van Kunst en Arbeid, opdat ik het derde punt daarin kan behandelen, herhaal ik nogmaals dien eisch: Het is goed en noodig, dat alle menschen werk hebben: Ten eerste, Werk waard gedaan te worden; Ten Tweede, Werk, dat op zich aangenaam is, Ten Derde, Werk onder omstandigheden, die het noch te vermoeiend, noch te inspannend doet zijn.

         Het eerste en tweede onderdeel, die nauw met elkander in verband staan, heb ik reeds trachten te behandelen. Zij vormen als het ware de ziel van den eisch om geschikten arbeid; het derde deel is het lichaam waarbuiten de ziel niet bestaan kan. Ik zal dit deel zóó uitbreiden, dat het ons voert op wegen, die wij reeds behandeld hebben: Niemand, die tot werken bereid is zal ooit gebrek aan werk behoeven te vreezen, dat hem in staat zal stellen het noodige voor lichaam en ziel te verdienen. Het noodige; wat is het noodige voor een goed burger? Ten eerste, eervolle en gepaste arbeid: wat in zou houden, dat men hem de gelegenheid moet schenken, bekwaamheid voor zijn arbeid te verwerven door een goede opvoeding; en evenzeer zal het noodig zijn, dat zijn positie zoo verzekerd is, dat hij niet gedwongen kan worden nutteloos werk te verrichten, of werk waarin hij geen behagen kan scheppen, daar zijn arbeid het werken waard en aangenaam moet zijn. De tweede noodzakelijkheid is een aangename omgeving bevattende: 1. goede huisvesting; 2. voldoende ruimte; 3. algemeene orde en schoonheid. Dat wil zeggen: 1. Onze huizen moeten goed gebouwd, frisch en gezond zijn. 2. Er moet overvloedige ruimte in onze steden [page 129] overblijven voor tuinen en onze steden moeten niet de velden en weiden van het platteland opslokken; ik zou zelfs wenschen, dat er ledige ruimten en onbebouwde plekken opengelaten werden, indien niet alle poezië, d. i. Kunst, uit ons midden zal verdwijnen. 3. Orde en Schoonheid beteekent, dat onze huizen niet alleen flink en goed gebouwd, maar ook versierd moeten worden: dat de velden niet alleen gebruikt moeten worden voor bebouwing, maar ook dat men ze evenmin als een tuin daardoor bederven mag: niemand zou b. v. boomen mogen omhakken voor eigen voordeel, wanneer het verlies hiervan een landschap zou bederven; ook zou men onder geen voorwendsel, wat ook, het daglicht mogen verduisteren door rook, of rivieren bevuilen of eenig plekje gronds bederven door afval en ruwe, verkwistende onordelijkheid.

         De derde noodzakelijkheid is vrije tijd. Gij zult wel begrijpen, dat ik hiermede in de eerste plaats bedoel, dat alle menschen een gedeelte van den dag moeten arbeiden en in de tweede plaats dat zij beslist recht hebben op rust na dien arbeid: die vrije tijd moet voldoende zijn, om hun geest en lichaam volledige rust te geven: ieder moet tijd hebben voor ernstig nadenken, voor het laten werken zijner verbeelding, zelfs voor droomen, of de menschheid zal onvermijdelijk achteruit gaan. Zelfs van het eervolle en gepaste werk, waarover ik gesproken heb, dat hemelsbreed verschilt van den gedwongen arbeid onder het kapitalistische stelsel, mag men van iemand niet weer vergen dan zijn billijk aandeel; anders zullen de menschen zich ongelijk ontwikkelen en zal er weer een rotte plek in de samenleving zijn. Hier heb ik u dus de voorwaarden genoemd, waaronder goede en aangename arbeid verricht kan worden: onder geen andere voorwaarden is dit mogelijk; indien [page 130] de arbeid over het algemeen het werken niet waard en demoraliseerend is, is het een bespotting te spreken over beschaving. Welnu, kunnen deze voorwaarden verkregen worden onder het tegenwoordig evangelie van het Kapitaal, welks motto is "Ieder voor zich en God voor ons allen"? Laat ons onzen eisch nog eens beschouwen in andere termen: in een goed geordende maatschappij moet ieder, die bereid is te werken, verzekerd zijn van: Ten Eerste, Eervollen en gepasten arbeid; Ten Tweede, Een gezond en fraai huis; Ten Derde, Vrijen Tijd tot rust van lichaam en ziel.

         Ik veronderstel, dat niemand van u ontkennen zal, dat het wenschelijk zou zijn, dezen eisch in te willigen, doch gij moet allen de noodzakelijkheid er van inzien en begrijpen, dat wij, tenzij wij onze uiterste krachten inspannen, om dezen eisch te vervullen, zelf deel uitmaken van een maatschappij gebaseerd op roof en onrecht, door de wetten van het heelal veroordeeld zich zelf te vernietigen in haar pogen om eeuwig te blijven bestaan. Bovendien moet gij bedenken, dat waar de inwilliging van dezen eisch mogelijk is, hij onmogelijk vervuld kan worden onder het tegenwoordig plutokratisch stelsel, dat ons zelfs verbiedt hiervoor een ernstige poging te wagen: het begin der Maatschappelijke Revolutie moet de grondslag zijn van den weder-opbouw der Volkskunst, d.w.z. van het Levensgenot. En wederom moet ik onaangename dingen zeggen: weten wij niet, dat het grootste deel der menschen in beschaafde maatschappijen vuil, onwetend, ruw zijn, of op zijn best bezorgd voor het levensonderhoud voor de volgende week; dat zij in een woord arm zijn? En als wij hieraan denken, weten wij ook, dat dit niet rechtvaardig is. Het is een oude geschiedenis dat menschen die op oneerlijke en tyrannieke wijze rijk geworden [page 131] zijn, hun oneerlijk verkregen winst met volle hand besteden aan zoogenaamde liefdadigheid, uit angst voor de toekomst: zij ontvangen zelfs geen lof; vroeger dacht men, dat de duivel hen toch nog in bezit kreeg. Een oude geschiedenis, doch ik zeg, "De te fabula", van U wordt dit gezegd: gij zijt die man! lk zeg, dat wij, de rijke en gegoede klassen, dagelijks op dezelfde wijze handelen: onbewust of misschien half bewust, verzamelen wij rijkdom door den nood onzer medemenschen uit te buiten en dan geven wij druppelsgewijze wat aan hen, die op de een of andere manier het luidst tot ons roepen om steun. Onze armenwetten, onze hospitalen, onze liefdadigheidsvereenigingen, georganiseerde zoowel als ongeorganiseerde, zijn slechts spieringen uitgegooid om een kabeljauw te vangen, een schatting betaald aan de manke gerechtigheid, opdat zij niet te snel achter ons aan zal hinken.

         Wanneer zal de tijd komen, dat eerlijke en helderziende menschen een afkeer zullen krijgen van dezen chaos van verkwisting, dit bestelen van Petrus om Paulus te betalen, die het eigenlijke wezen van den handelsoorlog vormt? Wanneer zullen wij ons vereenigen om het stelsel met het motto: "Elk voor zich en God voor ons allen," te vervangen door een stelsel met het motto: Een voor allen en allen voor een"? Wie weet, of de tijd niet aanstaande is, dat wij, de thans levenden, het begin mogen aanschouwen van dat einde, dat weelde en armoede zal doen verdwijnen? wanneer de hoogste, de gegoede en de lagere klassen zullen zijn opgelost in één stand, die tezamen een eenvoudig, gelukkig en tevreden leven zullen leiden? Dit is een groote omhaal van woorden om den toestand te beschrijven, dien gij, naar ik hoop, zult helpen voorbereiden: de afschaffing der slavernij is korter en beteekent hetzelfde. Gij denkt mis- [page 132] schien, dat dit doel de moeite niet loont of dat het nog zoo in het verre verschiet ligt, dat wij in onzen tijd toch niets van beteekenis kunnen bijdragen om het te bevorderen en dat gij daarom rustig kunt blijven zitten en niets uitvoeren. Laat mij u in herinnering brengen, dat betrekkelijk kort geleden, nog tijdens het leven van de jongeren onder ons, vele duizenden onzer eigen betrekkingen hun leven lieten op het oorlogsveld, om een deel van den strijd voor de afschaffing van de slavernij tot een gelukkig einde te brengen; zij zijn bevoorrecht en gelukkig, want toen de gelegenheid zich aanbood, grepen zij haar aan en deden hun best en de wereld is er te rijker door; en zullen wij dan zulk een gelegenheid van ons werpen en stil blijven zitten, ons lichaam in rust, onze ziel in twijfel en zorg? Dit zijn de dagen van strijd: wie kan het betwijfelen, als hij om zich heen aan alle kanten de klanken hoort van ontevredenheid en hoop en vrees, de klanken van ontwakenden moed en van ontwakend geweten? Dit zijn dagen van strijd, waarin geen uitwendige vrede mogelijk is voor een eerlijk man, doch waarin om dezelfde reden de innerlijke vrede, die verkregen wordt door een goed geweten gegrond op een vaste overtuiging, des te gemakkelijker te verwerven is, nu wij iets kunnen doen voor de goede zaak.

         Of wilt gij zeggen, dat wij hier in dit rustige, grondwettig bestuurde Engeland geen gelegenheid tot handelen hebben: Indien wij woonden in Duitschland of Oostenrijk, waar men ons dadelijk den mond zou snoeren, of in Rusland, waar een paar woorden voldoende zijn om ons naar Siberië te zenden of naar de gevangenis van het fort Petrus en Paulus, ja dan - Ach! mijne vrienden, deze weigering om den fakkel uit de stervende handen der martelaren van de vrijheid [page 133] te nemen is een armzalig offer, dat wij op hun graven neerleggen ! Wordt niet van Goethe verteld, dat hij iemand, die naar Amerika ging, om zijn leven opnieuw te beginnen, toevoegde: "Hier is Amerika of nergens?" Daarvan zeg ik op mijn beurt: "Hier is Rusland of nergens." Te zeggen: dat de heerschende klassen in Engeland niet bang zijn voor de vrijheid van het woord, laat ons daarom afzien van vrij uit onze meening te zeggen, — schijnt mij een vreemde paradox. Laat ons integendeel voorwaarts dringen door de bres, die dappere mannen voor ons gemaakt hebben: als wij ons terugtrekken, is al hun arbeid, hun lijden, hun dood van geen beteekenis geweest. Geloof mij, wij zullen zien dat het een kwestie is van alles of niets: of wil iemand hier tegenwoordig mij zeggen, dat een Russische moejik er erger aan toe is dan een loonslaaf van een kleermaker onder het sweating stelsel? Laat ons onszelf niet bedriegen, de klasse der slachtoffers bestaat hier even goed als in Rusland. Zij zijn minder in aantal? Dat is mogelijk, dan zijn zij ook machteloozer en hebben dus nog veel meer onze hulp noodig.

         En hoe kunnen wij, de gegoede klassen, wij de kapitalisten en onze aanhang, hen helpen? Door onze klasse te verlaten en bij elke gelegenheid, wanneer er strijd komt tusschen de klassen, partij te kiezen voor de slachtoffers: voor hen, die in het gunstigste geval veroordeeld zijn tot het gemis aan opvoeding, ontwikkeling, vrijheid, genot en roem; en in het ongunstigste tot een leven lager dan dat van de ruwste wilden, opdat het Winstsysteem moge blijven bestaan. Er is geen andere weg mogelijk: en ik zeg u ronduit, dat deze weg u vol op gelegenheid zal geven voor zelfopoffering, zonder dat gij naar Rusland behoeft te gaan. Ik ben ervan overtuigd, dat er sommigen in deze vergadering zijn, vervuld [page 134] van ontevredenheid met de ellendige anarchie van de eeuw van den Handel: hun bied ik het middel aan, om hun klasse te verstooten en de socialistische propaganda te steunen door lid te worden van de Demokratische Vereeniging, die ik de eer heb te vertegenwoordigen en die, naar ik geloof, het eenige lichaam in dit land is, dat opbouwend socialisme in zijn program voert.

         Dit is in mijn oog een goede gelegenheid voor hen, die ontevreden zijn met den tegenwoordigen toestand en verlangen naar een kans om zich los te maken van hun stand; en het is zeker, dat door deze gelegenheid aan te grijpen gij reeds terstond de ongemakken van het martelaarschap zult ondervinden zonder op het oogenblik iets van de waardigheid en eer te genieten. Gij zult bespot en uitgelachen worden door hen, wier spot een eerlijk man tot eer strekt, doch gij zult ook ongetwijfeld uit de hoogte behandeld worden door vele uitnemende menschen, die niet allen geheel van verstand ontbloot zijn. Gij zult gevaar loopen, uw betrekking, goeden naam, geld, zelfs vrienden te verliezen; verliezen, die zeker slechts speldeprikken zijn vergeleken bij het ernstige martelaarschap waarvan ik gesproken heb, doch die desniettemin uw karakter op de proef zullen stellen; en dit temeer omdat gij er aan kunt ontkomen zonder dat gij een ander verwijt van lafheid hoort dan wat uw eigen geweten u zegt. Ik kan u ook niet de verzekering geven, dat gij steeds ongedeerd zult ontsnappen aan de aanvallen van openlijke tyrannie. Het is waar dat op het oogenblik de kapitalistische maatschappij het socialisme in Engeland slechts met een sarcastischen grijnslach beschouwt. Doch vergeet niet, dat de menschen, die b.v. lndië ten onder gebracht, Ierland uitgehongerd en gebonden, en Egypte gekneveld hebben, hoedanigheden in zich vereenigen, waar- [page 135] van wij onlangs onheilspellende teekenen gezien hebben, die bewijzen dat zij hun tyrannie dichter bij huis en openlijk zullen kunnen uitoefenen. lk kan u dus aan alle zijden een positie verschaffen, die opoffering met zich voert, een positie, die u hier in Amerika zal brengen en u de verzekering zal geven, dat gij tenminste van eenig nut zult zijn voor de goede zaak: en ik vraag u ernstig, gij allen die van het goed recht onzer zaak overtuigd zijt, trekt u niet terug, doch neemt een werkzaam aandeel in een strijd, die, met of zonder uwe hulp, buiten eenigen twijfel ten slotte moet leiden tot Overwinning!