HOMELife & WorksAbout the SocietyMemberhip & DonationsPublications Events  •  Links

Morris, William. "Kunst, Vermogen, en Rijkdom."

Morris, William. "Art, Wealth, and Riches." Trans M. Hugenholtz-Zeeven. "Kunst, Vermogen, en Rijkdom." Kunst en Maatschappij [Art and Society]. Introd. Henri Polak. 2nd ed. Rotterdam [Brusse]: Nieuwe Uitgave, 1905. 77-103.

[This document has been edited and proofread for online publication by Lieske Tibbe.]

Lezing Op Een Gecombineerde Letterkundige Vergadering Van Manchestervereenigingen Gehouden in The Royal Institution, Manchester, 6 Maart 1883.

         Kunst, Vermogen en Rijkdom zijn de woorden, die ik aan het hoofd van deze lezing geschreven heb. Sommigen uwer mogen denken, dat de beide laatste woorden, vermogen en rijkdom, dezelfde beteekenis hebben, doch dit kan ik niet toegeven. Geen enkele taal heeft synoniemen in eigenlijken zin, tenzij in woorden ontleend aan een vreemde taal, en in den tijd van het eerste ontstaan onzer taal zou niemand het woord rijkdom gebruikt hebben als synoniem voor welstand. Hij verstond onder iemand, die aanspraak kon maken op welstand, iemand met een ruim inkomen en onder een rijk man iemand met groote macht over zijn medemenschen. Alexander de Rijke, Knoet de Rijke, Alfred de Rijke, deze namen zijn bekend genoeg in de vroegste letterkunde van het Noor-[78]den; men gebruikte het bijvoegelijk naamwoord bijna uitsluitend voor een groot koning of opperhoofd, een man uitstekend boven andere koningen en opperhoof-den. lk moet erkennen, zonder een ijveraar voor etymo-logische zuiverheid te zijn, dat in sommige gevallen de moderne talen in kracht zijn achteruitgegaan door twee woorden te verwarren en hun een zelfde beteekenis te geven, en dit is een van die gevallen. Ik zal daarom met uw verlof de woorden welstand en rijkdom gebruiken ongeveer op dezelfde wijze als onze voorouders deden en onder welstand verstaan de middelen om een goed bestaan te leiden en onder rijkdom het middel om macht over anderen uit te oefenen. Zoo opgevat hebben de woorden naar mijn meening een geheel andere betee-kenis; toch, als ge zegt dat het slechts een verschil in graad is, moet ik dit toestemmen; het gaat hiermede als met den herdershond en den wolf. Er is ook slechts een verschil in graad tusschen wederzijdsche opvatting van schapenvleesch.

         Hoe dit ook zij, ik geloof dat de volgende vraag van gewicht is: waartoe moet de kunst behooren, tot den welstand of tot den rijkdom? Welks dienaar zal zij zijn? Of liever: moet zij de slaaf van den rijkdom of de vriend en helper van den welstand zijn? Indien ik de vraag op een andere wijze stel en zeg: moet de kunst beperkt worden tot een kleine klasse, die er slechts matig belang in stelt, of moet zij tot troost en genot dienen van het gansche volk? komt zij eigenlijk hierop neer: zullen wij kunst of slechts schijnkunst hebben? Het is best mogelijk dat velen en misschien wel de meesten van u dit van geen practisch belang zullen vinden. De tegenwoordige toestand der kunst schijnt voor de meeste menschen de eenig mogelijke, waarin zij onder ontwikkelde lieden bestaan kan en zij zijn (op tamelijk onverschillige wijze) [79] tevreden met haar tegenwoordig streven. Ik voor mij ben zoo ontevreden over den huidigen toestand der kunst en het schijnt mij zulk een ernstige zaak, dat ik mij gedwongen gevoel anderen mijn ontevredenheid te laten deelen en heden avond loop ik gevaar te zondigen tegen de goede manieren door met mijn grieven voor u te staan bij een gelegenheid als deze, waarop ieder hier tegenwoordig vol waardeering is voor de kunst en het publiek beide. Mijn eenige verontschuldiging is mijn geloof in de oprechtheid, waarmede gij kennis wilt nemen van elke eerlijke overtuiging in zaken van dergelijk gewicht. Daarom zeg ik dat de door mij gestelde vraag, of de kunst tot steun van den welstand of de slaaf van den rijkdom zal zijn, van groot praktisch belang is, als tenminste de kunst een belangrijke factor is voor het menschenras en dat zal toch zeker niemand onder u ontkennen.

         Nu zou ik allen, die beweren, dat de kunst in een normalen en gezonden toestand verkeert, de verklaring willen vragen van de geestdrift (die, naar ik tot mijn genoegen hoor, de bevolking van Manchester deelt) die men in de laatste jaren aan den dag legt voor de oprichting van musea, wier inhoud voor het grootste deel bestaat uit stukken van huishoudelijke artikelen van vervlogen eeuwen.

         Waarom geven ontwikkelde, bedaarde, verstandige menschen, die de waarde van het geld kennen, groote sommen uit voor lappen goed, met figuren doorweven, stukken ruw afgewerkt aardewerk, wormstekig houtsnijwerk of gedeukt metaal, en verzamelen zij dit alles in kostbarepublieke gebouwen onder de officieele voogdijschap van geleerde vakmannen? Wij weten allen, dat deze dingen verondersteld worden ons iets te leeren, zij zijn van opvoedende kracht. Het type van al onze [80] musea, dat van South Kensington, is beslist een op-voedkundige inrichting. Wat zij ons moeten leeren is niet slechts doode geschiedenis; deze dingen worden zorgvuldig en nauwkeurig bestudeerd door menschen, die in de kunst van ontwerpen een bestaan hopen te vinden. Vraag welken vakman van welke school ook, of hij het wenschelijk vindt, dat zij, die de ontwerpen zullen maken voor de versiering der nijvere kunsten, die overblijfselen van vervlogen eeuwen bestudeeren en hij zal u zeker antwoorden, dat zulk een studie voor een ontwerper onontbeerlijk is.

         Nu ziet ge, waar het op neerkomt. Een student wordt niet gezonden naar de beste werken van onzen eigen tijd, geen meester of vakman zou hem naar waarheid kunnen zeggen, dat dit goed voor hem zou zijn, maar naar de beschadigde overblijfselen van een vergane kunst, dingen die, toen zij nieuw waren, voor het meerendeel in iederen winkel en op iedere markt gekocht konden worden. Moet men nog vragen, welk een figuur de overblijfselen onzer versierende kunst zouden maken in een museum van de vierentwintigste eeuw? Het is de eenvoudige waarheid, dat menschen die deze dingen hebben bestudeerd weten, dat deze overblijfselen uit het verleden bewijzen zijn eener kunst, die niet alleen betere dingen maakte dan wij nu, doch ook van een ander soort en beter omdat zij anders waren en op een geheel andere wijze vervaardigd zijn dan wij nu doen. Voordat wij vragen waarom zij zooveel beter waren en waarom zij ook in soort en niet alleen in graad en volmaaktheid verschillen, vestig ik er nogmaals uw aandacht op, dat het gewone artikelen waren, op elke markt te koop. Bovendien moet ik u doen opmerken, dat ondanks de tirannie en de ruwheid van de dagen waarin zij vervaardigd zijn, de schoonheid, waarvan zij deel uitmaakten, alles ver-[81]vulde en omringde, dat toentertijd tenminste de kunst de steun van den welstand en niet de slavin van den rijkdom was. Het is waar dat toen als nu de rijke groote sommen gelds besteedde aan alle mogelijke versierselen en dat de lagere klassen ongetwijfeld ellendig arm waren (zooals nu ook); doch niettegenstaande dit alles, verschil-de de kunst, die een rijke verkreeg, alleen in hoeveelheid en schitterende pracht van materiaal van die, welke ande-ren zich konden aanschaffen. Men moet echter bedenken, dat toen alles, gemaakt door menschenhanden, min of meer fraai was. Vergelijk dat nu eens met den tegen-woordigen toestand der kunst en zeg dan of mijn onge-manierde ontevredenheid eenigszins gerechtvaardigd is. Alles wat de menschen voortbrengen is niet alleen niet mooi, bijna alle zaken voor dagelijksch gebruik, die door den beschaafden mensch vervaardigd worden, zijn bijzonder enin-het-oog-vallend leelijk; het lijkt wel, alsof zij met een perverse bedoeling in plaats van toevallig zoo gemaakt zijn, als wij bedenken hoe aangenaam en verleidelijk voor den vindingrijken geest en de bekwame hand vele takken van nijverheid zijn. Neem als voorbeeld de welbekende kunst van glasblazen. Ik ben in een glasblazerij geweest en heb daar de werklieden het gesmolten glas de sierlijkste en fraaiste vormen zien geven. Indien zij op een bepaald tijdstip van hun arbeid het glaswerk, dat zij onder handen hadden, terstond naar de plaats hadden kunnen brengen, waar het zeer langzaam af kan koelen, zouden zij iets te voorschijn gebracht hebben, wat met de schoonste Venetiaansche glaswerken had kunnen wedijveren, doch dit konden zij niet doen, zij moesten hun glasmeter en vormen nemen en de fantastische sierlijkheid van het levend metaal omwerken tot de leelijke gangbare vormen, waarschijnlijk ontworpen door iemand, die totaal on-[82]kundig was van en onverschillig omtrent de wijze hoe glas vervaardigd wordt : en deze ervaring komt ook bij de andere kunsten herhaaldelijk voor.

         Ik zeg nog eens, dat alle goederen nu verdeeld zijn in twee klassen; de eene soort is laag bij den grond en leelijk, met een bewerking erop die een bespotting is van elke versiering, doch waaraan waarschijnlijk nog een treurig overblijfsel der traditie verbonden is; deze soort is voor de armen, de onontwikkelden. De andere soort wordt voor den rijke vervaardigd, bedoelt fraai te zijn, is zorgvuldig en beelderig ontworpen, doch beantwoordt gewoonlijk niet aan haar doel, gedeeltelijk omdat zij alle traditie over boord heeft gegooid, ge-deeltelijk omdat er geen samenwerking is tusschen den ontwerper en den arbeider. Zoodoende wordt aan onzen welstand afbreuk gedaan, aan onzen welstand, waardoor wij een aangenaam leven kunnen leiden, en niemand wint hier iets bij ; want terwijl aan den eenen kant de lagere klassen geen werkelijke kunst hoege-naamd in hun huizen hebben en zich in plaats daarvan tevreden moeten stellen met armzalige en afschuwelijke namaaksels, die elke gave vernietigen voor het waar-deeren van werkelijke kunst als zij deze ontmoeten in musea of schilderij-tentoonstellingen, kan aan den anderen kant al het overtollige geld van den rijke niet koopen wat zij beweren noodig te hebben; de eenige werkelijke kunst, die zij kunnen verkrijgen, is die welke voortgebracht wordt door het individueel genie, de moeitevolle en zware arbeid van mannen van zeldzame bekwaamheid en groote ontwikkeling, die, hoewel gehinderd door het alledaagsche leven en een leelijke omgeving, er toch ondanks alles nu en dan in slagen, alle moeilijkheden te overwinnen en edele kunstwer-ken voortbrengen, waarvan slechts zeer weinige ook [83] maar beweren ze te begrijpen of er door geroerd wor-den. Deze kunst kan de rijke koopen en soms in zijn bezit krijgen, maar natuurlijk bestaat hiervan slechts heel weinig ; en zelfs al was er tienmaal zooveel, zou het de menschheid op geenerlei wijze aandoen, omdat zij alle kunst zijn afgestorven door de leelijkheid en armzaligheid om hen heen. Ik kan echter niet beweren, dat het verlies alleen aan hun zijde is want de groote kun-stenaars, over wie ik gesproken heb, zijn wat zij zijn krachtens hun zeer eigenaardige en bepaalde gaven en zijn meestal vervuld van de geschiedenis en geheel in beslag genomen door de beschouwing van de schoonste der vervlogen tijden. Indien zij niet zoo aangelegd waren, zeg ik, zouden zij niet onder alle moeielijkheden, die hun in den weg gelegd worden, in staat zijn, schoon-heid voort te brengen. Doch zie het resultaat. Het dagelijksch leven verwerpt en verwaarloost hen; zij hebben geen andere keuze dan dit zijn gang te laten gaan en zichzelf te wikkelen in droomen van Griekenland en Italië. Zij leven in de dagen van Pericles en Dante en het Engeland van onzen tijd met zijn millioenen van hard werkende menschen helpt hen niet en wordt door hen niet geholpen; het kan zijn, dat zij hun tijd van nuttig zijn afwachten en in de toekomst niet vergeten zullen worden. Laat ons dit hopen.

         Dit is de toestand der kunst bij ons. Opdat gij dit niet zult betwijfelen of denken dat ik overdrijf, vraag ik u hoe het gesteld is met die kunst welke meer dan alle andere coöperatief is, nl. de bouwkunst. Niemand weet beter dan ik hoeveel talent en kunde er tegenwoordig gevon-den wordt onder de eerste ontwerpers voor gebouwen; en het geheele land door ziet men hier en daar de ge-bouwen die zij ontworpen hebben en wordt men door hen verblijd. Doch dit helpt ons weinig in onzen tijd, [84] waarin iemand, die Engeland voor een paar jaren verlaat, bij zijn terugkeer een halve provincie steenen en kalk aan Londen toegevoegd vindt. Kunnen de grootste optimisten zeggen, dat de bouwstijl in die halve provincie intusschen vooruitgegaan is? Is het integen-deel niet waar, dat hij indien mogelijk steeds slechter wordt, en dat het laatstgebouwde huis altijd het onoogelijkste en leelijkste is, totdat men werkelijk de dagen van Gower Street begint te betreuren en met eenig welgevallen de grappige kleine doozen van bruinen steen beziet, die met hun nette tuintjes half verdrongen staan tusschen nieuwe pleinen in de omstreken van Londen? Het spreekt als van zelf dat ieder nieuw huis afschuwelijk en afstootend leelijk moet zijn en als wij toevallig een nieuw huis zien, dat teekenen vertoont van met zorg ontworpen te zijn, dan zijn wij zeer verbaasd en verlangen te weten, wie het gebouwd heeft, wie de eigenaar is, wie het ontwierp en alles wat wij er over te weten kunnen komen, terwijl in den bloeitijd der bouwkunst ieder huis zich op meerdere of mindere schoonheid kon beroemen. De term Kerke-lijke Bouwkunst, waarmede de stijlen der middeleeuwen bedoeld werden, is reeds lang in onbruik geraakt door onze meerdere kennis en wij weten nu, dat in dien tijd een huis, hoe onaanzienlijk ook, en een kathedraal in denzelfden stijl gebouwd en op dezelfde wijze versierd werden, het eenig onderscheid tusschen het bescheiden en het statige gebouw was de grootte en soms het materiaal. En niet voordat deze soort van schoonheid weer haar intrede doet in onze steden, zal er een ware school voor bouwkunst zijn, niet voordat ieder winkeltje in onze voorsteden, iedere schuur die men voor louter gemak even opzet getuigt van schoonheid en tevens beantwoordt aan zijn doel. Welk een verschil [85] met onze tegenwoordige huizen. Het is niet gemakke-lijk ons de schoonheid eener stad voor te stellen, waarin alle huizen fraai gebouwd zijn, tenzij gij b. v. het Rouaan of Oxford hebt gezien van dertig jaren geleden. Doch in welk een vreemden toestand moet de kunst vervallen zijn, dat wij geen moeite willen of kunnen nemen om onze huizen geschikt te maken voor redelijke menschelijke wezens ! Ik veronderstel, dat wij niet kun-nen, want nog eens, op enkele groote uitzonderingen na, zijn de huizen der rijken niet beter dan de gewone. Laat mij u even een voorbeeld mogen geven. Ik heb onlangs Bournemouth gezien, de badplaats ten zuid-westen van the New Forest. Het is een gehucht (nauwelijks een stadje) bestaande uit rijke huizen. Daar was elke voorwaarde aanwezig om ze fraai te maken, want de plaats zelf met haar zandheuvels en denne-boomen heeft een prachtige ligging ; men zou haar met weinig moeite romantisch hebben kunnen maken. Welnu, daar staan die rijke heerenhuizen te midden der denne-boomen en tuinen, en zelfs de denneboomen en tuinen kunnen ze niet dragelijk maken. Zij zijn (vergeef mij de uitdrukking) eenvoudig misdadig leelijk en terwijl ik dit zeg, worden zij daar bij de mijl ver gebouwd. En waarom kunnen wij hierin nu geen verbetering brengen? Waarom kunnen wij b.v. geen eenvoudige en fraaie woningen hebben, geschikt om bewoond te worden door ontwikkelde, welopgevoede mannen en vrouwen en niet door onwetende, trotsche, voedselverterende machines? Gij zult zeggen, omdat wij ze niet verlangen, en dat is waar genoeg, doch dat verschuift de vraag slechts een stap en ik vraag nu: waarom geven wij niet om kunst? Waarom is de beschaafde maatschappij met betrekking tot de schoonheid van 's menschen handwerk steeds achteruitgegaan sinds de barbaarsche, bij-[86] geloovige, onrustige middeleeuwen? Dat is zeker een vraag van grooten ernst, die nog ernstiger vragen na zich sleept ; indien ik gedwongen werd, deze te bespreken, zoudt gij mij misschien verwijten, ze te berde gebracht te hebben,

         Ik heb gezegd, dat de overblijfselen der vroegere kunst, die wij tegenwoordig bestudeeren moeten, niet alleén beter werk vertoonen dan wat wij nu doen, doch ook van een andere soort zijn. Dit verschil in soort is éen verklaring onzer tekortkomingen en er blijft ons nog één vraag te doen over: Hoe zullen wij die fout herstellen? Want de soort arbeid van vroeger tijden tot op minstens den tijd der Renaissance was geschoolde arbeid, terwijl de onze ongeschoolde of slavenarbeid is; dit verklaart zeker voldoende den achteruitgang der kunst, want het beteekent de verdwijning van de volkskunst uit de beschaving. De volkskunst, d. w. z. de kunst, die tevoorschijn gebracht wordt door de samenwerking van vele hoofden en handen, verschillend in aard en graad van bekwaamheid, doch alle hun deel bijbrengend, in noodzakelijke onderwerping aan een groot geheel, zonder dat één zijn individualiteit verliest het te-loorgaan van zulk een kunst is inderdaad een groot, een onberekenbaar groot verlies. Tot hiertoe heb ik slechts gesproken over het verlies van de volkskunst als een deel van den welstand; ik heb dit verlies op zich zelf beschouwd, het verlies van den verheffenden invloed, die het zien van fraaien handenarbeid op het volk oefent; doch als wij nu gaan zien, hoe het werk gedaan werd en hoe het nu gedaan wordt, wordt de zaak nog ernstiger. Want ik zeg zonder eenige aarzeling, dat de geschoolde arbeid, die werkelijke kunst voortbracht, aangenaam en menschwaardig was, niet te bezwaarlijk of vernederend; terwijl de ongeschoolde [87] arbeid, die schijnkunst voortbrengt, onaangenaam te verrichten is, onmenschwaardig, bezwaarlijk en ver-nederend, zoodat het niet meer dan billijk is, dat deze niets dan leelijke dingen voortbrengt. En de onmid-dellijke oorzaak van dezen vernederenden arbeid, die zulk een groot deel van ons volk terneerdrukt, is het stelsel van de organisatie van den arbeid, hetwelk de grootste kracht vormt van de handelsconcurrentie, de grootste macht van het moderne Europa. Dat stelsel heeft de wijze van werken op elk kunstgebied een geheele verandering doen ondergaan en die verande-ring is veel grooter dan men weet of denkt. In vroegere tijden werden deze ambachten beoefend op een kleine, bijna huiselijke schaal, door groepen van werklieden die voor het meerendeel tot georganiseerde gilden behoorden en hun werk grondig geleerd hadden, hoe beperkt hun opvoeding ook in ander opzicht was. Er is weinig verdeeling van arbeid bij hen; de afstand tusschen meester en knecht was niet groot; een werkman verstond zijn werk van het begin tot het einde en voelde zich verantwoordelijk voor ieder stadium van de bewerking. Zulk een arbeid vorderde natuurlijk slechts langzaam en was duur; toch was het niet altijd tot in de puntjes afgewerkt, maar het was altijd geschoolde arbeid; er lag altijd een ziel in en overvloe-dige bewijzen van menschelijk hopen en vreezen, wat toch per slot voor ons allen het leven uitmaakt.

         Denk nu eens aan welk een tak van nijverheid ge wilt, waarvan ge op de hoogte zijt, en zie eens hoe verschil-lend de arbeid tegenwoordig gedaan wordt; bijna zeker zijn de werklieden bijeenverzameld in groote fabrieken, waarin de arbeid verdeeld en onderverdeeld is, totdat een werkman zich in zijn vak totaal hulpeloos voelt zonder hen die boven hem staan en hem werk moeten [88] geven en hen die beneden hem staan weer van hemzelf afhankelijk zijn. Er is in waarheid een regeering van meesters boven hem: de voorman, opzichter, klerk en kapitalist, ieder op zijn beurt van grooter gewicht dan hij die het werk doet. Men vraagt hem niet alleen niet zijn persoonlijkheid in zijn aandeel van den arbeid te leggen, hij mag het zelfs niet doen. Hij maakt slechts deel uit eener machine en heeft slechts één onverander-lijke reeks van plichten te vervullen; als hij deze eenmaal geleerd heeft, is hij van te grooter waarde, hoe regelmatiger en gedachtenloozer hij ze uitvoert. De arbeid, door dit stelsel verkregen, kan vlug gedaan worden en is goedkoop. Geen wonder, als men de wonderlijke volmaaktheid van de organisatie van den arbeid nagaat die dit werk verricht en de energie waarmede het doorgezet wordt. Het draagt ook den stempel van groote netheid en doet mij steeds denken aan de toonbank, een eigenaardigheid van de waren dezer eeuw; doch het is geheel zonder eenig bewijs van het menschelijk voelen of denken; het vertoont nergens eenige minder goede hoedanigheid, die zou kunnen beteekenen, dat het eene gedeelte prettiger was om te bewerken dan het andere. Wat er nog van kunst of schijnkunst in ge-legd is, is erover uitgedeeld met groote zorg voor zijn handelswaarde en erop aangebracht door een menscher lijke of andere machine, met dezelfde belangstelling als de niet artistieke deelen van het werk mochten ondervinden. Ik zeg nogmaals, dat indien zulk werk niet leelijk en verfoeilijk was, onze rechtvaardigheidszin be-leedigd zou zijn, want de arbeid die erin gelegd is was ondankbaar en onaangenaam, weinig meer dan neerdrukkend voor den werkman.

         Moet deze arbeid steeds blijven voortbestaan? Zoolang hij duurt, kan de groote massa geen aandeel hebben in [89] de kunst, de eenige vrije handwerkslieden zijn de kun-stenaars, zooals wij ze tegenwoordig noemen, en zelfs zij worden belemmerd en verdrukt door de verdrukking hunner medemenschen.Toch weet ik dat deze machinale arbeid noodzakelijk is voor de handelsconcurrentie, d. w. z. voor de tegenwoordige samenstelling der maat-schappij, en waarschijnlijk denken velen uwer, dat de hoop op een radikale verandering hiervan een ijdel droombeeld is. Ik kan het niet helpen; ik kan alleen zeggen, dat die verandering moet komen, voordat de kunst de groote massa bereiken kan. Dat mag in veler oog van weinig belang zijn. Op zijn zachtst genomen kan men slechts hopen, dat dergelijke menschen blind zijn voor de kunst, wat niet weinig voorkomt, en dat die blindheid hun geheel belet te begrijpen wat ik gezegd heb over het genoegen dat een goed werkman vindt in zijn handwerk. Doch allen, die begrijpen wat kunst is, zullen het met mij eens zijn, dat genoegen in het werk altijd samen moet gaan met een werkelijk kunststuk. Op dezen dan doe ik een beroep en vraag hun of het rechtvaardig en goed is dat slechts enkelen van de millioenen der beschaafde menschheid deel kunnen nemen in een genot dat het zekerste en meest standvastige is van alle genoegens, de nooit falende troost bij tegenspoed, nl. aangenamen en eerlijken arbeid. Laat ons de waarheid onder de oogen zien en erkennen, dat een maat-schappij, die het grootste deel harer zwoegers weinig ander menschelijk genot gunt, dat niet verlagend werkt dan de rust na de kwelling van vermoei enden arbeid, niet duurzaam zou mogen zijn; dat het natuurlijk is, dat zulk een maatschappij van bederf doortrokken en geplaagd moet zijn met telkens herhaalde gruwelijke misdaden. Hoe dit ook zij, wij mogen nu droomen of niet over de mogelijkheid van een beter soort leven, waar in de meeste [90] menschen hun aandeel van de kunst zullen kunnen krijgen, het is geen droom, maar zekerheid, dat om ons heen een verandering plaats grijpt, ofschoon het een punt van geschil moge zijn, waarheen die verandering ons leiden zal. Ik veronderstel, dat volgens de meeste menschen zij ons leidt tot de volle ontwikkeling van de handelsconcurrentie en de volmaking van het arbeids-stelsel waarvan deze afhankelijk is. Dat is best mogelijk en ik denk, dat alles hoe langer hoe gauwer zal gaan, totdat de hoogste volmaking van den blinden handelsoorlog bereikt is; en dan? Moge die verandering plaats vinden met zoo min mogelijk geweld en lijden!

         Het is ons aller plicht die verandering voor te bereiden en op die wijze de botsing te verzachten; te zorgen, dat wat tot ondergang gedoemd is, zoo min mogelijk plot-seling door geweld vernietigd wordt. En mij dunkt, dat wij in geen andere richting nuttiger kunnen zijn, om een verwoestende revolutie te voorkomen, dan door te trachten, de klove te dempen die klasse van klasse scheidt. Dit is zeker een punt, waarop de concurrentie ons in onze verwachtingen heeft teleurgesteld; zij heeft wel terstond met goed gevolg de bevoorrechting van het leenstelsel aangevallen, doch in het neervellen van de scheidsmuren tusschen de hoogste- en middelklassen, tusschen heer en werkman, is zij blijven staan alsof zij reeds genoeg gedaan had, want de meeste menschen willen helaas gaarne alle muren weghalen tot hun eigen hoogte, maar dan houden zij op. Maar laat ons eens zien, welke gevolgen dat ophouden voor ons hebben kan. Als wij niet verder gaan, ware het m.i. beter geweest, niet zoover te gaan, want het leenstelsel waaronder de leden der oude gilden, wier werken ik geprezen heb, leefden en dat ongetwijfeld verband hield met de schran-derheid en oprechtheid van hun arbeid, verdeelde de [91] menschen weliswaar in streng afgescheiden klassen, doch trachtte niet, hen te verlagen door de schrille contrasten tusschen ontwikkeling en onkunde bij hen aan te kweeken. Het onderscheid tusschen edelman en bur-ger was zuiver willekeurig. Doch wat te zeggen van de tegenwoordige klassenverschillen?

         Is het geen betreurenswaardig feit, dat het verschil niet langer willekeurig is, doch werkelijk bestaat? Tot op een zekeren stand, dien van den ontwikkelden heer, zooals men hem noemt, heerscht inderdaad gelijkheid van manieren, en als de burgers zich nog steeds willen ver-nederen en voor knecht spelen, moeten zij dit zelf weten ; doch beneden dien stand is als het ware met een mes een lijn getrokken en heeren en niet-heeren deelen de wereld.

         Denk eens aan dit eene feit vol beteekenis, dat het grootste aantal menschen hier in Engeland in de negentiende eeuw ondanks al de juichkreten over vooruitgang der laatste jaren, door het toeval hunner geboorte ge-doemd zijn hun h's verkeerd aan te wenden, dat er twee talen in Engeland gesproken worden : het Engelsch van den beschaafden man en het Engelsch van den arbeider. Ondanks alle tegenspraak zeg ik, dat dit bar-baarsch en gevaarlijk is, en dit verschijnsel gaat hand aan hand met het ontberen van kunst, waartoe dezelfde klassen gedwongen worden; kortom, het is een teeken van die onbeschaafdheid die niet bestond voor onzen tijd en den bloei der handelsconcurrentie.

         De tegenwoordige verdeeling in standen verschilt in-derdaad niet veel van het kaste-systeem der middeleeuwen. Zij is nagenoeg even uitsluitend als het laatste was. Laat mij een voorbeeld mogen noemen. Ik sprak dezer dagen met een vriendin van mij, die niet goed wist wat haar aankomende zoon zou beginnen, over de [92] mogelijkheid, dat hij een ambacht zou leeren, b.v. het schrijnwerkersvak. Geen van ons beiden had een groote mate van maatschappelijk vooroordeel, beiden waren wij er zeer afkeerig van het leger der Londensche kan-toorbedienden te vermeerderen, en toch moesten wij toegeven, dat het niet mogelijk zou zijn, tenzij de jongen een zeer sterk karakter bezat en dezen stap kon doen met open oogen en de gevolgen voor eigen reke-ning nemen; het zou hem maken tot een slordig liefhebber of een onwillekeurig martelaar voor een beginsel. Het schijnt dus, dat wij ons nog niet geheel vrijgemaakt hebben van het middeleeuwsche bijgeloof, dat naar ik denk gegrond was op den uitsluitingsgeest der Romeinsche landeigenaren (want onze Gothische voorvaderen waren geheel vrij van dezen onzin), dat handenarbeid een vernederend werk is. Op het eerste gezicht schijnt het zoo afschuwelijk, dat men bijna verwachten zou uit een verwarden droom te ontwaken onder de regeering van Hendrik den achtste met al den aankleve van dien, van het goddelijke recht der koningen afdalend. Waarom ter wereld zou een timmerman lager staan dan een advokaat? Zijn vak is van veel meer nut, veel moeilijker te keren en, zelfs in deze dagen, op zijn slechtst veel aangenamer, en toch zouden wij heeren en dames het onzen zonen niet willen laten leeren, tenzij zij enthousiasten of wijsgeeren zijn, die alle gevolgen willen aanvaarden en de meening der wereld verachten, in welk geval zij den vloek moeten dragen van het vree-selijke woord: zonderling.

         Ik heb weleens gedacht, dat wij een deel dezer dwaas-heid terug konden brengen tot het bijgeloof van vroe-ger eeuwen, dat het gedeeltelijk een overblijfsel was van de gevloekte overheersching van het oude Rome, doch er is een andere zijde aan het geval, die er een eenigszins [93] ander licht op werpt. Ik herinner mij, dat mijn vriendin onder meer tot mij zeide: „Ik zou er niet op tegen hebben, dat mijn jongen schrijnwerker werd, indien hij slechts „kunst"-meubelen maakte." Gij ziet, hier erkent zij als iets van zelf sprekends het feit, dat ik u dezen avond heb genoemd, dat er zelfs in een vak zoo nauw verbonden aan de kunst als het schrijnwerkersvak twee soorten van goederen zijn, de eene de gewone soort zonder eenige kunst, de andere buitengewoon met een stempel van kunstmatige kunst er op gedrukt. Doch bovendien drong de gedachte, die bij haar opkwam, diep in de zaak door en hangt nauw samen met ons onderwerp; want deze ambachten worden tegenwoor-dig zoo werktuigelijk beoefend, dat zij het intellectueele deel des menschen niet beroeren en misschien heeft dat in onze dagen, nu de bevoorrechting op sterven ligt, wel iets te maken met den lagen dunk dien men van hen koestert.

         Stel u een jongmensch voor, die het schrijnwerkersvak wil beoefenen (zelfs tegenwoordig een der minst machi-nale ambachten); hij zou, zoodra hij een meer dan ge-wone bekwaamheid bereikt had, ernaar streven, zich te verbeteren, zooals men zegt; met andere woorden, hij zou of trachten een anderen werkkring te vinden, die meer in tel is, of trachten niet een meester schrijnwer-ker, doch een kapitalisch werkgever van schrijnwerkers te worden. Op deze wijze verliezen de ambachten hun beste krachten, omdat zij uitnemendheid niet naar waarde kunnen beloonen uit den aard der zaak. Gij kunt niet verder komen dan een bepaald punt en dat punt is niet ver genoeg. Gij moet mij goed begrijpen, dat ik met belooning geen zuiver geldelijk loon bedoel, doch maatschappelijke positie, vrijen tijd en bovenal achting voor ons zelf, die alleen ontstaan kan wanneer wij belangwek-[94]kend en zelfstandig werk verrichten, nuttig voor ande-ren en aangenaam voor ons zelven, werk dat tenminste dank verdient, of het dezen ontvangt dan niet. Nu weet ik zeer goed, dat publieke sprekers hoog opge-ven van de waarde van den arbeid en de achting die zij koesteren voor den werkenden stand en zij zullen wel gelooven wat zij zeggen op zulke oogenblikken, doch zou hun eerbied voor de waarde van den arbeid de proef kunnen doorstaan, waarover ik gesproken heb, d. w. z. zouden zij, die tot de hoogste of middenklasse behooren, hunne zonen aan deze soort arbeid kunnen of willen zetten? Denken zij dat zij op deze wijze hun kinderen goede vooruitzichten geven? Het antwoord op deze vraag laat zich niet lang wachten en ik herhaal, dat ik dit als een proefvraag beschouw; daarom zeg ik, dat de ambachten duidelijk aangemerkt worden als behoorende tot een lagere klasse en dat deze dwaasheid gedeeltelijk een overblijfsel is van de vooroordeelen der kerkelijke overheersching in de middeleeuwen, doch tevens een gevolg van de roekelooze jacht naar rijkdom, het hoofddoel der handelsconcurrentie. Dit is bovendien het ergste, want het bijgeloof zou van zelf ver-dwijnen en tamelijk snel ook door den politieken en maat-schappelijken vooruitgang, maar het deel dezer dwaze opvatting, dat door de concurrentie aangekweekt wordt, is van langen duur, omdat daar waarheid in schuilt. De ambachten zijn werkelijk in verval geraakt en de klassen die ze beoefenen worden alleen in toom gehouden door de goedmoedigheid en het aangeboren gezond verstand van de werklieden, zooals zij buiten hun werkuren zich toonen als menschen, en door hun sterke politieke neigingen die bewust of onbewust op voet van oorlog staan met de concurrentie en deze, naar ik hoop, allengs zullen omverwerpen. Intusschen geloof ik, dat [95] dit verval der ambachten noodig is voor de volmaking en den vooruitgang der handelsconcurrentie, het verval der ambachten of met andere woorden de verdwijning der kunst. Dit is zulk een zware beschuldiging tegen het stelsel dat ik mij, op gevaar af voor krankzinnig ge-houden te worden, openlijk als een tegenstander der concurrentie verklaar, een tegenstander, ik stem het toe, van de grootste macht die de wereld ooit gekend heeft. Een groote macht inderdaad, doch alleen om verderf aan te brengen en daarom is zij ook gedoemd tot een kort bestaan, daar alle dingen die verwoesting aanbrengen, hun eigen ondergang in zich dragen. En nu, voordat ik eindig, wil ik nog even terug komen op mijn eerste drie woorden: Kunst, Welstand en Rijkdom. Ik kan mij voorstellen, dat velen tot mij zouden willen zeggen : gij verklaart, u openlijk te verzetten tegen het stelsel dat welstand in het leven roept. Dat ontken ik ten stelligste; ik beschuldig de concurrentie, den welstand te ondermijnen. Ik zeg, dat welstand, of de stoffelijke middelen voor het leven van een menschwaardig bestaan, geschapen wordt ondanks en niet door dat stelsel. In mijn oog bestaat de welstand uit tweeërlei soort: de eerste uit voedsel, kleeding, huisvesting enz., de tweede uit zaken die betrekking hebben op kunst en kennis; dus uit dingen, die goed en noodig zijn voor het lichaam, en zaken, goed en noodig voor den geest. De concur-rentie bemoeit zich nog met verscheidene andere zaken, waarvan sommige den menschen direkte schade brengen en andere slechts haar eigen eerbaren voortgang in den weg staan; intusschen verspilt zij in het groot de eerste dezer twee soorten van werkelijken welstand en ver-nietigt zij in het groot de tweede. Zij verspilt de eerste door een onrechtvaardige en slecht bestuurde verdee-ling van de macht die welstand kan verschaffen en die wij [96] in het kort geld noemen, door de menschen aan te sporen tot een roekelooze vermeerdering van hun geslacht, en door de bevolking in onhandelbare opeen-hoopingen samen te pakken om aan haar onbarmhartige zucht naar winst te voldoen, zonder een enkele gedachte aan het belang der menschen te wijden.

         Wat de tweede soort van welstand, den geestelijken welstand betreft, dezen vernietigt zij op allerlei wijze, doch de twee manieren, die ons onderwerp van hedenavond het meeste raken, zijn deze: ten eerste, de roeke-looze vernietiging van het natuurschoon der aarde, die in dit land tenminste de groote massa der bevolking dwingt te wonen te midden van leelijkheid en vuil, zoo weerzinwekkend en afschuwelijk, dat wij ditnietzouden kunnen doorstaan, tenzij wij er aan gewend geraakt waren, d.w.z. tenzij wij hard op weg waren, sommige der hoogste en beste hoedanigheden te verliezen, die den mensch geschonken zijn. Doch de tweede wijze, waarop de concurrentie onzen geestelijken wel stand ver-nietigt, is nog erger, zij vervormt alle ambachtslieden in machines, d.w.z. zij dwingt hen werk te verrichten, dat ongeschoold en onmenschwaardig is, en wordt tot een drukkenden last, dien zij het grootste deel van den dag moeten dragen; op deze wijze berooven zij den mensch van het voordeel en de zegepraal die lange eeuwen van zwoegen en denken veroverd hebben op de onverbiddelijke natuur en den strijd om het bestaan, nl.: het genoegen in en zijn trots op zijn dagelijksch werk. Ik zeg u, onze beschaving heeft geen welstand gescha-pen, doch rijkdom met zijn noodzakelijken metgezel, armoede, want rijkdom kan niet bestaan zonder armoede of met andere woorden zonder slavernij. Alle rijke menschen moeten iemand hebben voor hun vuile werk, van het inzamelen hunner onrechtmatige renten tot het uit-[97]zoeken hunner aschvaalten toe. Onder de heerschappij van den rijkdom zijn wij meesters en slaven in plaats van mede-arbeiders zooals wij moeten zijn. Indien de con-currentie welstand voorbracht, zou Engeland zeker het meest gegoede land ter wereld zijn, zooals velen zeker denken en zooals het ongetwijfeld het rijkste is; doch tot welk een armzaligheden wordt dit rijke land niet gedreven. Ik b.v. behoor tot een klein, onschadelijk ge-nootschap, dat zich ten doel stelt voor het tegenwoor-dige en toekomende geslacht den welstand te bewaren dien Engeland nog bezit in geschiedkundige en schoone gebouwen en ik zou u een lange en ontmoedigende lijst kunnen voorleggen van gebouwen, die Engeland met al haar rijkdom niet heeft kunnen redden van het winstbe-jag in den een of anderen vorm. „Het is een geldkwestie" wordt in deze gevallen als een onweerlegbaar argument beschouwd en gewoonlijk ondervinden wij dan ook, dat ons antwoord, indien wij antwoord geven, aan doove-mans oor gezegd wordt. Tot op den huidigen oogenblik is er in Engeland geen wet (ik geloof, dat Engeland hierin alleen staat onder de beschaafde landen) die een krankzinnige of een onwetende beletten kan een huis, dat hij zijn privaateigendom belieft te noemen, naar den grond te werpen, ofschoon het een der grootste kunstschatten of geschiedkundige schatten van het land moge zijn.

         Of nog eens, van hoeveel bunders gemeenen grond heeft de rijkdom dit land beroofd, zelfs in deze eeuw? een niet te vermoeden onschatbare waarde in deze dagen van groote bevolking. Toch, waar is de man die een maatregel voor durft stellen om het publiek weer in zijn rechten te herstellen? Hoe dikwijls hebben de spoor-wegmaatschappijen het volk ten voordeele van enkelen niet mogen berooven van schatten van schoonheid, die [98] nooit meer vergoed kunnen worden, dank zij de lafhartige en anarchistische beginselen, die steeds gehul-digd schijnen te worden door hen, die hierin onze beschermers moesten zijn; doch rijkdom heeft geen gevoel dan alleen voor rijkdom.Wat hebt gij, bewoners van dit deel van ons land, gedaan met Lancashire ? Het schijnt niet meer te bestaan. Gij moet wel erg arm geweest zijn, om gedwongen te zijn geweest het te begraven. Waren de bruine heidevelden en de weilanden, de klare stroomen en de zonnige luchten geen rijkdom in den zin van welstand? De rijkdom heeft een vreemd tehuis voor u gemaakt. Sommigen uwer kunnen er soms uit vluch-ten naar Wales, naar Schotland of Italië, sommigen, doch zeer weinigen. Het spijt mij voor u en voor mijzelf ook, want aan de zijde van den Theems raken wij ook hoe langer hoe meer grond kwijt, het grootste deel van Middlesex, van Surrey en groote brokken van Essex en Kent zijn bergen diep begraven onder grillige dwaas-heid of vuile leelijkheid en niemand heeft den moed te zeggen: «Laat ons een redmiddel zoeken, nu er nog iets van deze soort welstand is overgebleven.»

         Ten slotte, indien al deze dingen al van weinig belang mogen zijn in de oogen van sommigen uwer, van hoe grievend gewicht ze in werkelijkheid ook zijn, niemand kan luchthartig denken over de vreeselijke verhalen, die wij onlangs gehoord hebben omtrent de huisvesting der armen in Londen; in waarheid, geen land, dat rustig kan blijven onder dergelijke gruwelen, heeft eenig recht zich op welstand te beroemen. Toch weet gij zeer goed, dat het lang zal duren, voordat de een of andere partij of regeering den moed zal hebben, dit onderwerp onder de oogen te zien, hoewel zij moeten weten hoe gevaarlijk het is de oogen ervoor te sluiten. En wat kan deze grieven wegnemen? Gij moet niet te [99] sterk op een antwoord aandringen. Want ik behoor in dit opzicht tot zulk een kleine minderheid, dat het mij voldoende is, wanneer ik hier en daar iemand ontmoet, die deze grieven erkent, want mijn doel hierbij is onte-vredenheid te verspreiden. Ik beschouw dit niet als een onbelangrijke taak, want naarmate de ontevredenheid groeit, breidt zich ook het verlangen naar betere toestanden uit en wanneer de wensch van velen diep wortel heeft geschoten, overwint hij den tegenstand en komt er verandering op een zekere, vaste en onverklaarbare wijze. Toch wil ik u met uw goedvinden de voornaamste punten opnoemen, die ik gaarne veranderd zou hebben, ingeval ik tot hiertoe niet duidelijk genoeg geweest ben en opdat ik niet den schijn op mij zou laden van u alleen maar vernietiging aan te raden, de vernietiging van een stelsel, dat volgens sommigen eeuwigdurend zijn zal. Ik zou dan wenschen, dat alle menschen opgevoed werden overeenkomstig hun bekwaamheid en niet overeenkom-stig de hoeveelheid geld, die hun ouders toevallig bezitten. Ik zou wenschen, dat alle menschen manieren en beschaving bezaten overeenkomstig hun aangeboren goedheid en vriendelijkheid en niet overeenkomstig de hoeveelheid geld, die hun ouders toevallig bezitten. Als een gevolg van deze twee dingen zou ik in staat willen zijn met elk mijner landslieden vrijelijk in zijn eigen taal te kunnen spreken en ervan zeker willen zijn, dat hij mijn gedachten kon begrijpen overeenkomstig zijn aange-boren bekwaamheid; en ik zou ook in staat willen zijn aan tafel te zitten met iemand van welke betrekking ook, zonder een gevoel van gedwongenheid en verlegenheid tusschen ons. Ik zou niemand geld willen laten bezitten behalve als verdiend loon voor afgeleverden arbeid; en daar ik ervan overtuigd ben, dat zij die het nuttigste werk doen, niet de hoogste loonen vragen of ontvangen, [100] geloof ik, dat deze verandering te niet zou doen de ver-eering van een man om zijn geld, die volgens allen vernederend is, doch die, op slechts enkele uitzonderingen na, door allen gedeeld wordt. Ik zou hen, die het ruwe werk op de wereld doen, zeelieden, mijnwer-kers, ploegers en dergelijken willen behandeld zien met eerbied en achting, hun overvloedig loon geven en veel vrijen tijd. Ik zou wenschen, dat de moderne wetenschap, die ik in staat acht alle stoffelijke moeilijkheden te overwinnen, zich afkeerde van zulke onzinnige dwaashe-den als de uitvinding van anthraceen en van het monster-kanon en zich toelegde op de uitvinding van machines voor het verrichten van allen arbeid die vernederend en weerzinwekkend is voor menschen die achting voor zich zelven hebben en nu dezen arbeid met de hand moeten doen. Ik zou de eigenlijke handwerkslieden, zij die waren voortbrengen, in zulk een positie wenschen, dat zij konden weigeren dwaze en nuttelooze of goedkoope en leelijke waren te maken, die nu den voornaamsten steun der concurrentie uitmaken en in waarheid slechts waren voor slaven zijn, gemaakt door en voor slaven. En opdat de werklieden in deze positie kunnen geraken, zou ik de verdeeling van den arbeid binnen redelijke perken terug willen dringen en den menschen leeren, over hun werk na te denken en er behagen in te scheppen. Ik zou ook het verkwistende stelsel der tusschenper-sonen willen inkrimpen, zoodat de werklieden met het publiek in aanraking konden komen, dat op deze wijze iets van hun arbeid zou kunnen leeren en in staat zou zijn hun bekwaamheid te beloonen met den lof dien zij verdienen.

         Bovendien wensch ik de werklieden te laten deden in den voorspoed van de zaak, die door hun arbeid gedreven wordt in juiste verhouding tot hun bekwaamheid [101] en vlijt evenals zij in elk geval hun deel in den tegenspoed moeten dragen. Daarom zou het noodig zijn, dat zij, die hun arbeid leiden, niet meer loon ontvangen dan wat hun voor hun arbeid toekomt en gekozen werden om hun bekwaamheid en verstand en niet omdat zij toevallig zoons zijn van geldzakken. Ook zou ik wenschen, en als de menschen leefden onder de voorwaarden die ik juist voor hen heb geeischt zou mijn wensch vervuld worden, dat deze eilanden die het land vormen dat wij liefhebben, niet langer behandeld werden hier als een vuilnishoop en daar als een jachtgebied, doch als de liefelijke, groene tuinen van Noord Europa die onder geen enkel voor-wendsel door iemand zouden mogen worden bevuild of ontsierd. In deze omstandigheden zou mijn laatste wensch zeker vervuld worden. Alle menschenwerk moet fraai zijn, van de eenvoudigste huishoudelijke artikelen opklimmend tot het statige openbare gebouw versierd door den handenarbeid van de grootste meesters, dien die nieuwe geboorte en de dageraad van teruggekeerde hoop voor ons zal doen herleven.

         Dit zijn de grondslagen van mijn Utopia, een stad waarin rijkdom en armoede door welstand zal zijn overwonnen en hoe krankzinnig gij mijn streven ook vinden moogt, ik ben toch van één ding overtuigd, dat men vruchte-loos rond zal zien naar volkskunst, tenzij dan in zulk Utopia of tenminste op den weg daarheen, een weg, die naar ik vast geloof, leidt naar vrede en beschaving, zooals de weg, die in tegenovergestelde richting voert, leidt naar ontevredenheid, bederf, onderdrukking en verrassing. Het kan zijn, dat wij dichter bij den weg daarheen zijn dan menigeen denkt en hoe dit ook zijn moge, het is mij tot eenige troost te denken, dat de zeer kleine minderheid, waartoe ik behoor, gesteund wordt door ieder, die in maatschappelijke zaken van goeden [102] wille is. Iedereen, die ontwikkeling tracht te bevorde-ren, helpt ons, want opvoeding, die zulk een kleine macht schijnt aan de klassen die geslachten lang gewend zijn geweest hun deel hiervan te krijgen, verspreidt diepe ontevredenheid onder hen, die grieven hebben, die zij niet behoorden te torschen en leert hun, hoe hun ontevredenheid vruchten te laten dragen. Iedereen die er naar streeft de armoede uit de wereld te helpen, helpt ons, want een der grootste oorzaken van de schaarschte der volkskunst en den druk van vreugdeloozen arbeid is de noodzakelijkheid, die aan de moderne beschaving opgedrongen wordt, om ellendige waren te maken voor ellendige menschen, voor de slaven der concurrentie. Allen die algemeene rechten voorstaan boven privaat winstbejag helpen ons; elke nederlaag toegebracht aan de dieven van gemeenschappelijken eigendom, of de spoorweg-philistijnen of de kweekers der rookplaag is een overwinning voor ons. Ieder, die tracht de tradities der kunst levendig te houden door de overblijfselen der kunst uit vervlogen tijden te verzamelen, of meer nog ieder die het geluk heeft de menschen met zijn eigen werk door den rook en de wildheid van Manchester heen liefelijke tooneelen der onbedorven natuur of daden uit de geschiedenis te laten zien, helpt ons. Ieder die tracht de klove tusschen de standen te dempen, door musea en schilderijententoonstellingen en tuinen en an-dere genoegens, die door allen gedeeld kunnen worden, voor allen geopend te krijgen, helpt ons. Ieder die tracht belangstelling en nadenken te wekken in den arbeid voor en in zijn werk en in het bijzonder ieder die hun werk tracht te verheffen en achting voor zich zelf en verantwoordelijkheidsgevoel tegenover het pu-bliek bij hen wakker roept door middel van handels-coöperatie enz., helpt de goede zaak vooral. [103] Deze zijn onze helpers en geven ons eenige hoop, dat de tijd zal komen, dat onze inzichten en idealen niet langer als revolutionair beschouwd zullen worden en de concurrentie in hetzelfde graf zal liggen als lijfeigen-schap, slavernij en het leenstelsel. Of liever, die ver-andering zal zeker komen, al zijn wij tegen dien tijd al lang dood en begraven; hoe zullen wij dan verhinderen, dat zij door geweld en onrecht komt, die weer na eenigen tijd andere grieven in het leven zullen roepen, die op haar beurt weer groote ontevredenheid zullen wekken? Nog eens, hoe goed zou het zijn, indien wij alles, wat te niet gedaan moet worden, langzamerhand en met onderling goedvinden zouden kunnen veranderen!

         Hier in Engeland hebben wij een fraai huis vol met allerlei goede dingen, doch ook belast met schadelijken afval. Welke plicht kan dringender zijn dan dezen afval stuksgewijze naar buiten te dragen en het daar te verbranden, opdat niet te eeniger tijd zal blijken dat men zich daarvan slechts bevrijden kan door het in huis te verbranden met huis en inhoud te zamen?