HOMELife & WorksAbout the SocietyMemberhip & DonationsPublications Events  •  Links

Morris, William. Monopolie, of, Hoe de Arbeider Bestolen Wordt. Amseterdam: J. Sterringa, [n. d.].

[This text is also available in a printer-friendly Rich Text Format version.]
[see the front cover of this pamphlet in PDF format.]

MONOPOLIE
of
HOE DE ARBEIDER BESTOLEN WORDT.
Door William Morris.
J. Sterringa. Uitgever, Kerkstratt 360. Amseterdam.

We willen een blik werpen op den toestand van de arbeidende klasse in het algemeen, zooals die toestand tegenwoordig is. We zullen niet blijven stilstaan bij den vooruitgang die gemaakt is (of niet gemaakt is) in de laatste vijfhonderd of in de laatste vijftig jaren, doch we willen nagaan hoe de toestand is in ver houding tot de andere klassen waaruit de bestaande maatschappij is samengesteld. Daarbij willen we ons hoeden tegen over drijving van de voordeelen der positie, welke door de hoogere en middelklasse wordt ingenomen aan de eene zijde en tegen de nadeelen der arbeidende klasse aan de andere zijde. Overdrijving is inderdaad niet noodig; het kontrast tusschen beide toestanden is verrassend genoeg. Men behoeft echter niet verder te gaan dan de korte en bondige verklaring: De arbeiders verkeeren in een slechteren toestand dan de niet-arbeiders.

         Tegenwoordig erkent iedereen dat arbeid de bron van allen rijkdom is, of in andere woorden dat voor alle menschen de natuurwet geldt, dat men werken moet om te leven. Wij moeten dan de gevolgtrekking maken, dat het feit dat de levens standaard van hen die werken veel lager is dan de levens standaard van wie niet werken, een verrassend feit kan worden genoemd. Hoe verrassend het echter ook is, kan het misschien bijdragen om sommigen onzer uit den droom te helpen, indien we een oogenblik stilstaan bij deze maatschappelijke minderheid der arbeiders en eens nagaan wat daarvan de beteekenis mag zijn.

         Beginnende met den basis van het stoffelijk leven, valt het iedereen op, dat de arbeiders slechter voedsel gebruiken en zich in minder kwaliteit kleederen hullen dan de niet-arbeiders. Dit is waar voor de gansche werkende klasse, maar een groot ge deelte ervan zijn zóó slecht gevoed, dat ze niet alleen moeten leven van grover of onzindelijker spijzen dan de niet-voort-[p. 2]brengers, doch dat ze van dat slechte bovendien nog een onvol doende hoeveelheid bekomen om hun levenskrachten behoorlijk in stand te houden. Zoodoende lijden zij ook aan de ziekten, die het gevolg zijn van gebrek en worden vroeg ten grave gesleept. Een groot gedeelte der arbeiders sterft van honger. Wat hun kleeding betreft, die is zóó slecht dat het vuil er een onaf scheidelijk bestanddeel van uitmaakt en dienstig wordt geacht om te helpen beschermen tegen de guurheid van het weder. Het oude Engelsche spreekwoord zegt dat uit vuil en slijk het gewaad van den armen man bestaat. (Dirt and grease are the poor man’s apparel.)

         De huisvesting van de arbeiders is in verhouding nog veel erger dan hun kleeding en hun voedsel, voor zoover de welge stelde werklieden betreft. Hun beste huizen en woningen zijn niet geschikt voor menschen om. in te leven, zoo volgepropt zijn ze. Dat zou niet zoo zijn indien men slechts uit de deuren in een tuin of in een mooi plantsoen kon stappen. Doch de straten en gangen, die gewoonlijk de volksbuurten vormen, zijn zoo ellendig, dat men gedwongen is te trachten zijn gevoel voor netheid en reinheid tot zwijgen te brengen, enkel wanneer men denkt aan de ellendige armzaligheid en benauwdheid van die wijken. Ik moet bekennen dat ik de woningen der slechtst gehuisveste arbeiders ken bij geruchte en dat ik ze niet persoonlijk durt in oogenschouw nemen; toch verbeeld ik me dat mijn fantasie me een goed eind op weg helpt om me zelf er een voorstelling van te scheppen. Eén ding trof me steeds, wanneer ik arme buurten der stad doorging, en dat was het getier en de onrust, die daar heerschen en zulk een verwarring in iemand’s denkbeelden en gedachten teweeg brengen. Welk een kontrast met de waar dige kalmte van de buurten der menschen, die zich alle weelde kunnen veroorloven !

         Welnu, voedsel, kleeding en woning zijn de drie voornaamste bestanddeelen van den stoffelijken toestand der menschen, en ik zeg zonder omwegen dat het kontrast tusschen de niet-voort-brengers en de voortbrengers in dit opzicht verschrikkelijk is, en dat het woord verschrikkelijk hier niet als een overdrijving kan worden aangemerkt. Doch ook in andere opzichten bestaat er een tegenstelling, bijvoorbeeld inzake onderwijs. Sommige menschen hemelen ons lager onderwijs erg op; misschien is het goed voor zoover als het reikt (en misschien is het niet goed) doch waarom reikt het niet verder? Waarom is het lager (elementair)? In de spreekzaal is elementair onderwijs het tegenovergestelde van een goede opvoeding. Ge weet, dat in de klasse tot welke ik behoor, de parasitisch9 klasse, iemand zich er over schaamt, indien hij niet beweren kan dat hij in [p. 3] staat is tot het lezen van een latijnsch boek, of een beetje Fransch of Duitsch kent--tenzij hij een bepaalde neiging heeft tot wis kunde of natuurkundige wetenschappen om daarmede zijn on kunde op historisch en klassiek gebied te bedekken. Indien echter een werkman een beetje Latijn of Fransch kent, zal hij bezien worden als iets buitengewoons, als een soort genie, en dat is hij ook werkelijk indien men de moeilijkheden in het oog houdt, die hem omringen. Ook hier zien we dus zijn minderheid helder bewezen.

         Niettemin geven dergelijke brokjes slecht verteerde kennis ons niet een werkelijk idee van de tegenstelling. Die tegen stelling ligt weer in den smaak voor lezen en de gewoonte aan lezen, in de geschiktheid tot genieten van hoogere idealen en tot het uitspreken van groote gedachten--wat alles het deel is der bezittende klasse, ondanks de gebreken waaraan ook haar opvoeding mank gaat. De niet-bezitters moeten dat helaas ontberen. De onmiddellijke reden dezer ontbering ken ik vol doende en zij vormt een ander verschilpunt: die reden ligt in het feit dat de bezitters tijd en ruimte beschouwen als hun door het geboorterecht toekomende, zonder dat is de heele opvoeding een spotternij. Tijd on ruimte nu ontbreken aan de arbeiders en zelfs "maatschappelijke hervormers" verwachten dat de werkende klasse zich met dat gemis zal tevreden stellen. Ik denk hierbij natuurlijk aan de betrekkelijk welvarende hand werkslieden, en niet aan de vuile, voortgetrapte, door ellende verblinde en hoopelooze arme drommels, die het grootste ge deelte der arbeidende klasse vormen.

         Daar hebben we bijvoorbeeld het kontrast in zake vakantie. Indien een ambtenaar, industrieel of andere bevoorrechte een beetje meer uitvoert dan zijn afgemeten dagtaak, wat maken zijn vrienden dan een drukte en hoezeer verzoeken ze hem zich niet te overwerken, aan zijn kostelijke gezondheid te denken, aan de noodzakelijkheid van rust enzoovoort. Doch juist de zelfde personen kijken heel zuur, indien een of andere arbeider in hun dienst enkele vrije dagen begeert. Over het verlangen naar rust van dien arbeider zijn ze niet te spreken, hem zullen ze een dronkaard en een luiaard noemen (misschien achter zijn rug), en als hij vakantie krijgt kost het hem zijn geld, terwijl bij de middenklasse de jaarlijksche vakantie beschouwd wordt als een deel van de etaling voor bewezen diensten. Ook hierin vinden we dus een treffend bewijs voor den verschillenden maatstaf voor arbeiders en niet-arbeiders.

         Wat kan ik aangaande volks vermakelijkheden zeggen, zonder de lezers zoozeer te beleedigen dat ze weigeren deze brochure nit te lezen? Ik moet toch in ieder geval iets zeggen, en [p. 4] wel dat weinige dingen me ooit zoozeer bedroefd hebben als de vermakelijkheden, die goed genoeg worden geacht voor het volk, want bet is een ellendig doodslaan van het beetje, karig toege meten vrijen tijd, dat de arbeiders bezitten. Indien men even wel beweert dat er niet zulk een groot verschil bestaat tusschen de publieke vermakelijkheden bestemd voor de arbeiders en die voor de middenklasse, moet ik dat toegeven en er de verklaring bijvoegen, dat de lagere levensstandaard onze openbare ver makelijkheden heelemaal omlaag gehaald heeft en van het tooneel de allerlaagste uitdrukking der tooneelspeelkunst maakte, die de wereld ooit heeft aanschouwd.

         Een verwant onderwerp is de toestand der Engelsche taal in onze dagen. [Ik behoud voor het gemak de Engelsche voorbeelden; het is dunkt me overbodig er Hollandsche pendanten voor te zoeken. VERT.] Hoe vaak heb ik tot me zelf gezegd: Schrijf niet in boekenstijl, als je wilt dat de arbeidende klasse je ver staat. Dat lijkt op het eerste gezicht, alsof de arbeider in dit opzicht in een betere positie verkeert, want het Engelsch van onze salons en onze dagbladhoofdartikelen is een ellendig bastaard bargoensch, dat nauwelijks Engelsch kan worden ge noemd, ja eigenlijk heelemaal geen aanspraak heeft op den naam van taal. Men zou dus verwachten, dat de arbeiders in goed, zuiver Engelsch moeten worden aangesproken, willen zij verstaan, wat tot hun gezegd wordt. Doch het omgekeerde is helaas het ge val. Overal wordt me gezegd, dat mijn taal te eenvoudig is om door werklieden te worden verstaan; dat ik me, om begrepen te worden, me van een geringe kwaliteit dagblad-bargoensch zou moeten bedienen. Ik hel bijna er toe over om dit te gelooven, wanneer ik let op het soort Engelsch dat de kandidaten bezigen in verkiezingsdagen, en de politieke personen in het algemeen--doch bij hen wordt het geval natuurlijk inge wikkelder doordat deze heeren er volstrekt niet opgesteld zijn den zin van hun woorden al te duidelijk te maken.

         Ik wil zoo streng mogelijk me bepalen tot het punt van uit gang, namelijk dat er een tegenstelling bestaat tusschen den werkende klasse en dien der welgestelde klasse, en dat de toestand der arbeiders altijd en in alle opzichten in een mindere positie ver-keeren. De zoogenaamde vrienden der arbeidende klasse ver tellen ons, dat de voortbrengers onder zulke ellendige levens voorwaarden gebukt gaan, dat ze onze beweging eerst zullen verstaan, indien we ons tot hen neerbuigen om hen toe te spreken en niet zonder omwegen met hen spreken als met, vrienden en buren, kortom als met menschen. Zulk een raad- [p. 5] geving kan noch wil ik opvolgen; dat een dergelijke gedachte wordt uitgesproken, toont echter onvermijdelijk, dat de meester klasse--ondanks alle huichelarij--zeer wel overtuigd is dat de menschen die zij "gebruikt" of wel "in dienst heeft," slaven zijn.

         Kortom, de arbeidende klasse verkeert in een vernederden toestand, vergeleken bij de hoogere en middelklasse, en al werd haar positie veel verbeterd, zelfs al werden de loonen verdub beld en de werktijden tot op de helft verkort, dan nog zou de werkende klasse vernederd blijven, zoolang zij in een toestand van minderheid verkeert ten opzichte van een andere klasse, tenzij het een natuurwet bleek te zijn, dat het maken van nuttige zaken noodzakelijkerwijze een dergelijke minderheid meebrengt!

         Ik vraag u weder ernstig om te overwegen wat dit beteekent, en ge zult na overweging helder inzien, dat het in verband moet staan met de wijze waarop de arbeid in onze maatschappij is georganiseerd en het ruw geweld waarop die organisatie berust. Het is blijkbaar geen verschil van ras; de hoogste edelman in het land kan geen aanspraak maken op een andere afkomst dan de klerk van zijn rentmeester of de jongen van zijn tuinman. De kleinzoon of zelfs de zoon van iemand, die zich er bovenop gewerkt heeft, kan even beschaafd zijn--of ook even onbeduidend en lomp--als de man die twintig ge slachten van titels-voerende gekken tot voorvaderen heeft. Het gaat ook niet op, te zeggen--zooals sommigen doen--dat het een kwestie van persoonlijk talent en persoonlijke geestkracht is. Wie dat zegt, beweert daarmee eigenlijk, dat de geheele arbeidende klasse bestaat uit menschen, die ieder persoonlijk niet boven een laag gemiddeld peil komen en dat ieder lid der mid delklasse op een hooger peil staat. Ik betwijfel of zich ieder vinden laat tot het verdedigen dezer stelling of het moest zijn een persoon, die zelf onder dat gemiddelde staat. Neen, wanneer ge denkt aan de tegenstelling tusschen de voortbrengende en de niet-voortbrengende klasse, zult ge u genoopt gevoelen om in de eerste plaats aan te nemen dat dit kontrast een onheil is en in de tweede plaats dat het veroorzaakt wordt door kunst matige schikkingen; door gewoonten, die op logischer paden geleid kunnen worden; door menschen wetten, die afgeschaft kunnen worden, zoodat men ons vrij laat te werken en te leven volgens de wetten der natuur. En wanneer ge tot deze twee gevolgtrekkingen gekomen zijt, zult ge het socialisme moeten aannemen als grondslag voor den nieuwen staat van zaken, of wel ge zult een of anderen beteren grondslag moeten vinden, ge zult echter niet vermogen den tegenwoordigen basis [p. 6] der samenleving aan te nemen, of ge moet bereid zijn tot de erkenning, dat ge geen middel wilt zoeken tegen een kwaal, die ge weet, dat verholpen kan worden. Laat me nog eens de kwestie zoo duidelijk stellen als ik kan, en laat ons dan het middel opzoeken.

         De maatschappij onzer dagen is in klassen verdeeld; de klassen der menschen die aan het publiek, diensten bewijzen en de klassen der menschen, die zulks niet doen. Zij, die diensten aan de gemeenschap bewijzen, verkeeren in een minderen toestand dan die niets goeds uitrichten, doch er bestaan onder hen ver schillende graden van minderheid, afwisselend van af een positie slechter, dan waaronder een wilde in een goed klimaat leeft, een toestand die niet ver achter staat bij den lageren trap der onnutte klasse. De algemeene regel echter is, dat de positie. van een arbeider slechter is, naarmate hij nuttiger diensten be wijst, zooals bijvoorbeeld de arbeiders in den landbouw, die ons de onontbeerlijkste levensbehoeften verschaften en die van al onze slaven het meest met ellende gestraft worden.

         De individuen echter, die tot deze mindere of nuttige klasse behooren, leven niet geheel zonder hoop. Hun hoop bestaat daarin, dat, indien het geluk hun dient, ze tot de onnutten mogen gaan behooren, in welk geval zij beloond worden met een gemakkelijk leven in welgesteldheid en met eerbied bejegend worden door wie dan hun minderen zijn. Deze positie kunnen ze dan als erfenis aan hun kinderen nalaten. De predikers der onnutte klasse (die de heele maatschappij regeert) zijn zeer welsprekend om het verwezenlijken dezer hoop aan te prijzen als een vrome plicht. Tusschen een hoop onzin van verschil lend allooi, zeggen zij tot de leden der nuttige klasse: "Vrien den, spaarzaamheid en vlijt zijn de nuttigste deugden; beoefen ze tot in het uiterste, en je zult beloond worden met een positie, die u in staat zal stellen om spaarzaamheid en vlijt over boord te werpen."

         Het is echter duidelijk, dat deze hier niet zou worden ge predikt door de onnutten, indien zij op een ruime schaal kon worden in toepassing gebracht, aangezien dan het gevolg zou zijn dat de nuttige klasse steeds minder zou aangroeien en de wereld in het verderf zou worden gestort. Er zou niemand meer zijn om den noodzakelijken arbeid te verrichten. Ik moet van deze hoop zeggen: "Wat beteekent dit in zulk een menschenmassa?" Toch heeft dit droombeeld wel zijn nut--voor de nietsdoeners.

         Deze inrichting der maatschappij komt mij voor een ver gissing te zijn (om geen erger woord te gebruiken)--een zoo grove fout, dat zelfs indien kan worden aangetoond dat zij [p. 7] onherstelbaar was, ik zou blijven zeggen dat ieder eerlijk man er tegen in opstand komen moest; dat allen er mee tevreden konden zijn, die aan de eene zijde oneerlijke tyrannen waren, wier belangen betrokken waren bij het voortduren er van; of aan de andere zijde de lafhartige en hulpelooze slaven van tyrannen--de beide kategoriën evenzeer verachteljk. Indien een dergelijke wereld niet kan worden verbeterd, heeft zij geen hel als aanvulling noodig.

         In werkelijkheid nemen echter alle menschen aan dat het verholpen kan worden, maar sommigen verlangen geen toe passing van goede middelen, omdat ze gemakkelijk en gedachten-loos leven in en door de slechte toestanden. Anderen zijn zoo afgebeuld en zoo door ellende verstompt, dat ze geen tijd hebben om te denken en geen hart om te hopen. En toch zeg ik u, dat de slechte maatschappij verbeterd zou worden, zelfs indien er niets bestond tusschen deze beiden menschengroepen: zelfs dan zouden we een nieuwe wereld hebben. Doch het laat zich aanzien, dat haar wording dan vergezeld zou gaan van veel meer vuur en bloed.

         Allen die zich bevinden tusschen deze beide vreeselijke uiter sten--tusschen den aiouden tyran en den aiouden slaaf--moeten worden opgewekt om over den maatschappelijken toe stand na te denken en met bewustzijn te helpen aan den opbouw ener nieuwe wereld. Daarom doe ik een beroep op die leden der onnutte klasse, die zich schamen over hun positie, die de uitgestrektheid beginnen in te zien van de misdaad, die ze be gaan, door te leven zonder voort te brengen en die zouden willen nuttig zijn, indien ze daartoe in staat waren. Aan de andere zijde wend ik me tot die leden der nuttige klasse, die, bij toeval of eigenlijk met opzet door opoffering van het beetje vrijen tijd en genoegen dat het heerschend stelsel hun overge laten heeft, in staat zijn tot nadenken over hun toestand en die er bewust ontevreden mee zijn.

         Tot al die lieden zeg ik: Ge weet wel dat er een middel moet zijn om aan den huidigen staat van zaken te ontkomen. De natuur gebiedt aan alle menschen te werken om te leven, en aan dat gebod kan een mensch of een klasse alleen ontkomen door anderen te dwingen tot werken in zijn of haar plaats, en het is een feit dat zeer enkelen dwingen en de groote menigte gedwongen wordt; vanzelf moet de meerderheid arbeiden, daar het werk, dat in de wereld volbracht moet worden, anders niet gedaan kan worden. Hier krijgt ge het geneesmiddel dan zekerlijk onder uw bereik: om welke redenen zouden de velen toelaten, dat de overigen hen dwingen om te doen, watde natuur zelf wil dat allen doen zullen? Dat kan die minderheid alleen [p. 8] met behulp van bijgeloovige vrees en onwetendheid; want let er wel op, dat het bestaan van een hoogere klasse, die leeft ten koste van een lagere, het bestaan beteekent van een voort-durenden strijd die tusschen deze beide woedt. Al wat de lagere klasse kan doen om zich te verheffen ten koste der hoogere klasse, moet zij doen, evenals een plant groeit naar het licht. Het streven moet echter evenredig zijn aan den graad van haar ontwikkeling en de afwezigheid van vooroordeelen. Indien de lagere klasse onwetend en met vooroordeelen behept is, zal zij streven blootelijk naar de een of andere verbetering in haar slavernij; houdt zij op onwetend te zijn, dan zal zij trachten de slavernij eens voor altijd van haar schouders te wentelen.

         Ik wil nu aannemen, dat de goddelijke instelling van ellende en verlaging als begeleiding van den arbeid een sprookje is, dat bij het volk heeft uitgediend; en verder dat de erkenning der plicht, den werkman en zijn klasse te verheffen, uaast zijn individuëelen vooruitgang, zich meer en meer onder de arbeiders uitbreidt. Ik neem aan, dat de meeste arbeiders zich bewust zijn van de lagere plaats die hun klasse inneemt, hoewel ze niet ten volle de schade beseffen--en dat kunnen zij ook niet die zij en de geheele wereld lijden als gevolg daarvan. Zij kunnen dit niet weten, omdat zij het betere leven, dat zij niet--geleefd hebben, niet kunnen zien en gevoelen. Doch eer zij heengaan om een middel te zoeken tegen de kwaal der maat-sohappij, moeten zij aan deze kennis van hun toestand--aan welke kennis zij niet genoeg hebben--de wetenschap toe voegen van de middelen, waarmee zij tegen wil en dank in dien toestand gehouden worden. Deze wetenschap moeten wij, socia listen, hun brengen en wanneer zij ermee op de hoogte zijn, zal de verandering komen.

         Men kan zich best voorstellen dat de arbeider de volgende alleenspraak houdt: "Ik ben een nuttig lid der gemeenschap, een timmerman of een smid, een letterzetter, een wever, een landbouwer of wat ook, en toch zoolang ik op die wijze werk zaam en nuttig blijf, behoor ik tot de lagere klasse, en wordt niet zoo hoog geacht als de een of andere edelman of als de zoon van een lord, die niets uitvoert, of als de heer, die zijn driemaandelijksch dividend opstrijkt, die advokaat of die soldaat, die nog erger doet dan niets, of die fabrikant, zooals hij zich zelf betitelt, hoewel hij persoonlijk niets fabriceert, die zijn direkteuren en meesterknechts betaalt voor het werk, dat hij voorgeeft zelf te doen. In elk opzicht zijn mijn levensom standigheden slechter dan met hun het geval is en toch werk ik en leven zij allemaal van de opbrengst van mijn arbëid. Bovendien weet ik dat ik niet alleen mijn werk ken, maar dat, [p. 9] indien ik me vereenigde met mijn mede-arbeiders, we gezamenlijk heel wel onze zaken zouden kunnen regelen en een goed bestaan hebben, zonder de hulp (?) van het patrijzenschieten van den edelman, het koeponknippen van den mijnheer, de haarkloverij van den advokaat, de domheid van den soldaat of het gekrakeel van den fabrikant met zijn kollega. Waarom sta ik op een lageren trap dan menschen, die niets nuttigs tot stand brengen en die dus, zooals vanzelf spreekt, door mij onderhouden worden? Die lui zeggen dat zij nuttig voor mij zijn, maar ik weet dat ik bruikbaar ben voor hen, anders zouden ze mij niet "gebruiken" of wel "in dienst" houden; en ik kan me geen voorstelling er van vormen als hoedanig zij nuttig kunnen wezen. Wat zou er van terecht komen, als ik hun eens heelemaal alleen liet staan, om de proef te nemen, dat ze zouden leven van hun nut tigheid en ik van de mijne en als ik dan ging werken met en voor de menschen, die nuttig zijn? Hoe komt het dat het niet in mijn macht is aldus te handelen?

         Mijn vriend, dat komt doordat je niet vrij bent, sedert je van je eigen arbeid leeft. En als je me vraagt: Wie is mijn meester? wie bezit mij?. zal ik antwoorden: Monopolie. Bevrijd jezelf van monopolie, en je tegenwoordige tyran zal verslagen zijn. Dan zal het je gemakkelijk worden, te lezen zooals het je aanstaat, binnen de grenzen, die de natuur voor je vaststelde, toen zij je meesteres nog was. Die grenzen echter heb je, als mensch, zoo ontzaglijk verruimd, doordat je bijna de natuur tot je dienares gemaakt hebt.

Wat moeten we nu verstaan onder het woord monopolie? Ik heb er ergens een verklaring van gezien waarin gezegd wordt: Monopolie is het verkoopen van waren tegeneen verhoogden prijs, zonder dat de verkooper iets aan de waarde heeft toegevoegd. Deze verklaring kan worden omgezet tot: de gewoonte om be looning te bekomen voor diensten, die men nooit bewezen heeft of nooit plan heeft gehad te bewijzen; kortom, voor denkbeeldige diensten.

Uit deze verklaring kan men opmaken, dat het monopolie een bedrog op groote schaal is; doch in deze verklaring wordt een faktor gemist, die we er dadelijk willen bijvoegen. We kunnen ons tegen dit bedrog verdedigen, doordat we ons ver stand gebruiken om uit te vinden, dat die diensten denkbeeldig zijn, en dan kunnen we weigeren om er nog langer ons mee in te laten. Ik zou de uitlegging van den naam monopolist liever willen uitbreiden en zeggen dat het iemand is die het voor recht bezit, dat hij ons dwingen kan tot betalen voor denk beeldige diensten. Daardoor is hij een veel schadelijker wezen dan een gewone bedrieger zijn kan; tegen den laatsten [p. 10] kan men voorzorgen nemen, doch het middel, dat de monopolist aanwendt om ons te berooven van hetgeen we verdiend hebben, is niet meer louter bedrog, maar bedrog dat gepaard gaat met geweld. Zoolang zijn bevoorrechting duurt, kunnen we ons niet tegen hem verdedigen; als we op zijn terrein ons willen begeven, moeten we hem de tol betalen, die zijn bevoorrechting hem vergunt van ons te heffen, of anders moeten we het artikel missen, dat we verlangen te koopen. Als er bijvoorbeeld een monopolie bestond van champagne, glacé handschoenen, fluweel of poppenoogen, zoudt ge tol moeten betalen aan den monopolist indien je een dezer artikelen verlangen zoudt, en die tol zou ongetwijfeld zoo hoog opgevoerd worden als eenigszins mogelijk was, behalve de kosten van voortbrenging en vervoer. Ik hond het er voor, dat indien in dezen tijd een dergelijk monopolie aan het daglicht kwam, men er vreeselijke drukte over zou maken, zoowel binnen als buiten het parlement. Niettemin trekt men zich er weinig van aan, dat de heele maatschappij tegenwoordig in de klauwen van het Monopolie is. Het Monopolie regeert ons zonder dat we het weten.

         De bevoorrechting der Monopolisten stelt hen niet alleen in staat om tol te heffen van enkele weelde-artikelen, waar het volk buiten kan. Ik heb aangetoond en geloof, dat ieder ermee , zal instemmen, dat elk mensch arbeiden moet om te leven, tenzij hij instaat is een ander te krijgen om voor hem te werken--in welk geval hij door dien ander onderhouden wordt. Doch de meerderheid kan niet door anderen onderhouden worden; daarom moet de groote menigte arbeiden om in haar behoeften te voor zien. Om nuttig te werken zijn echter twee dingen onontbeerlijk: in de eerste plaats de lichamelijke en geestelijke vermogens van den mensch, namelijk de door oefening ontwikkelde gewoonte, en ten tweede grondstoffen waarop men deze vermogens kan aanwenden en gereedschappen, als hulp voor de menschelijke vaardigheid. Zonder de grondstoffen en de gereedschappen heeft men niets aan zijn lichaamskracht en vernuft; geen waren kun nen worden voortgebracht zonder dat beide voorwaarden vervuld zijn. Menschen dus, die werken moeten om te kunnen leven, doch die eerst verlof van anderen moeten bekomen om de arbeidsmid delen te gebruiken, zijn geen vrije menschen, doch afhankelijk van anderen, dat wil zeggen de slaven van die anderen; want de waar, die zij van de Monopolisten koopen moeten, is niets minder dan het leven zelf.

         Nu verzoek ik u, te trachten u een maatschappij voor te stellen, waarin alle gezonde en verstandige menschen zich een behoorlijk en menschwaardig bestaan kunnen verschaffen, door hun arbeid aan de grondstoffen, geholpen door geschikte gereed- [p. 11]schappen, terwijl die maatschappij beschikt over een vol doende hoeveelheid grondstoffen en gereedschappen. Zoudt ge het onredelijk of onrechtvaardig vinden, wanneer een dergelijke gemeenschap er op zou aandringen, dat ieder naar lichaam en geest gezond mensch zou meehelpen aan de voortbrenging opdat hij niet zou komen ten laste der gemeenschap; of aan de andere zijde, dat die maatschappij een behoorlijk bestaan zou verzekeren aan iedereen, die eerlijk voor zijn levensonderhoud werkt--een bestaan waarin niets gemist wordt, dat hij noodig kan heb ben voor zijn ontwikkeling als een gezond menschdier, met al de aanklevende zedelijke en verstandelijke gewoonten en be geerten?

         Wat verder de grondstoffen en gereedschappen der gemeen schap betreft, die zooals ge weet noodzakelijk zijn voor het bestaan der maatschappij; zoudt ge denken dat het onredelijk ware indien de gemeenschap er op zou aandringen dat die kost bare zaken, zonder welke het leven niet mogelijk zou zijn, gebruikt en niet misbruikt werden? Grondstoffen en gereed schappen kunnen alleen gebruikt worden tot het voortbrengen van nuttige zaken; een akker bijvoorbeeld kan niet gebruikt worden door er distels en onkruid op te zaaien en een baal wol kan niet worden gebruikt doordat je hem in brand steekt onder het venster van uw buurman om dien buurman te plagen. Dit is misbruik van die zaken, en ik vind dat onze gemeenschap in haar recht zou zijn door zulk misbruik te verbieden.

         En zou het verder onredelijk zijn, indien de gemeenschap verklaarde dat deze produktiemiddelen, die gebruikt en niet misbruikt moeten worden, behooren te worden gebruikt door wie daartoe in staat is, dat wil zeggen door alle gezonde en verstandige menschen, die zich gezamenlijk bezighouden met het verzekeren van hun bestaan; dat ze moeten worden gebruikt overeenkomstig behoorlijke en natuurlijke bepalingen, waarmee de heele gemeenschap uit gezond verstand mee instemt; en dat bovendien die grondstoffen en gereedschappen geen uitsluitend eigendom moeten zijn van één of ander individu, aangezien ze door allen gebruikt worden. Indien enkele individuen of groepen van individuen uitsluitend eigenaars van de arbeids middelen waren, konden zij de menschen die instaat zijn tot gebruik dier grondstoffen en gereedschappen beletten om zich er van te bedienen, indien men zich niet hield aan voorwaarden waardoor de nuttige leden der maatschappij in een toestand van ondergeschiktheid aan de nietsnutters geplaatst zouden wor den; kortom, de laatsten zouden de meesters zijn en de nuttige menschen zouden gedwongen worden om hun leven in te richten zooals de meesters het verkiezen. Daarom zouden grondstoffen [p. 12] en gereedschappen het eigendom der gemeenschap moeten zijn, en gebruikt moeten worden door ieder lid der gemeenschap, onder voorwaarde, dat men de slijtage herstelt en zich niet meester maakt van onbehoorlijke hoeveelheden.

         Dat is onze redelijke maatschappij, in welke een ieder kan voortbrengen en, waar ieder voortbrengt, terwijl niemand een belasting betalen moet, eer het hem vergund is te werken, dat wil zeggen te leven. In die maatschappij, behoeft niemand slecht af te zijn, tenzij hij het zelf wil, het doel der gemeenschap zou zijn: zorgdragen, dat de meeste van haar natuurlijke voor waarden ten gunste van al haar leden kwamen. Die menschen noem ik redelijk; men heeft ze andere namen gegeven, zooals overtreders van het achtste gebod (of ook van al de geboden bij elkaar), roovers, moordenaars, hebzuchtige plunderaars, vijan den der maatschappij,--in één woord: socialisten.

         Laat ons nu een andere maatschappij bezien en nagaan of die ons beter bevalt. Evenals in de eerstgenoemde, kunnen ook hier allen naar lichaam en geest gezonde personen rijkdom voortbrengen door het verwerken van de grondstoffen met ge reedschappen, en ook in die maatschappij is geen gebrek aan arbeidsmiddelen. Doch hiermee houdt de gelijkenis op; want een deel der menschen, die nuttig werk konden doen, wil niet en een ander deel kan bijgevolg niet; sommigen der laatste kategorie kunnen geen werk bekomen en verhongeren daardoor volkomen; anderen kunnen alleen nutteloos werk krijgen en helpen zoodoende hun broeders in ellende dompelen. En alle menschen, die iets voortbrengen, verkeeren, zooals we reeds in de voorgaande bladzijden gezien hebben, ia een toestand van min derheid ten opzichte van de menschen, die niets voortbrengen.

         De natuurwet, dat een bestaan volgt op arbeid, wordt dus omgekeerd, wanneer de menschen, die het hardste werken, het minste krijgen, en de lieden, die het minste werken, het beste varen. Is dit redelijk? Toch is dat het onmiddellijk en onaf wendbaar gevolg van het eigendomsrecht, dat in stand gehouden wordt door het verbond van al wat behoort tot leger, vloot, politie, rechtbank, balie, geestelijkheid enz., die, tot verdediging van het bestaande stelsel, alle vormen van bedrog en geweld aanwenden, die noodig geacht worden tot bestendiging van de huidige maatschappij van bevoorrechting. Dat alles is de vrucht van het Monopolie. De bodem wordt niet meer uitsluitend ge bruikt voor het oorspronkelijk doel: het kweeken van graan of ander gewas, het voeden van vee, het er op bouwen van huizen, doch hij wordt ook misbruikt en aangewend als een machine tot het uitpersen van huur ten bate van een individu. Zooals het gaat met den bodem, is het ook met de gereedschappen, [p. 13] den opgehoopten arbeid van vroegere menschengeslachten, de machines, de middelen van vervoer--al deze zaken dienen niet meer slechts als produktiemiddelen; neen, aanwending als zoodanig komt in de tweede plaats, waarover de wet zich in het geheel niet druk maakt, daar zij al haar aandacht wijdt aan het misbruik van de produktiemiddelen (dat nu hoofd zaak geworden is) ten’ bate van de bezitters. Door dit misbruik maakt men al de arbeidsmiddelen tot werktuigen om huur, interest en winst uit de voortbrengers te zuigen.

         De lieden dus, die in overeenstemming met de tien geboden zoo bezorgd zijn om te voorkomen, wat zij diefstal noemen, zijn bijgevolg de meesters of wat meer zegt de eigenaars van de heele maatschappij, zoolang het bestaande stelsel duurt. Buiten hen is er niets als metalen, dierlijke en menschelijke machines, die hen in staat stellen om voort te brengen, niet om zooveel mogelijk welvaart te scheppen doch om de grootst mogelijke winst te makeu. Wanneer de meesters niet bereiken hetgeen zij beschouwen als de behoorlijke winst, voortgebracht door de ge noemde menschelijke en andere machines, zeggen ze dat het een slechte tijd is, zelfs al zijn pakhuizen en graanzolders overvol en al wordt het dagelijks meer mogelijk om een grootere som rijkdom met minder arbeid te produceeren. Hooge prijzen voor hen en eveneens voor hun menschelijke machines, beteekent welvaart, aangezien de arbeiders volstrekt niet beloond worden omdat ze welvaart voor zichzelf voortbrengen, doch omdat ze winst opleveren aan hun meesters. De vernieling van welvaart door oorlog of andere rampen is goed om iets aan te verdienen, daarom hebben we oorlog. Het verspillen van arbeid in aller lei dwaasheden en gekheden, is goed voor den handel, daarom hebben we een valsche litteratuur, een valsche kunst, valsche vermaken, kranten, advertenties, jubeleums en alle vormen van bedrog om onze stervende maatschappij te vergunnen nog een klein eindje verder te waggelen, zoodat onze kinderen in onze plaats eerst zich tegenover den onvermijdelijken ondergang van het huidige stelsel zullen bevinden, waarna eerst een nieuwe maatschappij van vrede een geluk zal tot stand gebracht kun nen worden.

         Ik heb de arbeiders de hulpelooze machines van den handel genoemd; en hulpeloos zijn ze zoo lang ze ongevoelig blijven en er in toestemmen machines te wezen in handen van de meesters der maatschappij. Toch moet van hun de verande ring komen; zij moeten het monopolie uit den weg ruimen. De kapitalisten zijn ten opzichte van een grondige vormverandering der maatschappij nog veel hoopeloozer dan de abeiders. De kapitalisten, als klasse, kuunen ze zich zelfs geen begrip vormen [p. 14] aan een ander middel om aan de kost te komen dan onderhouden te worden door anderen, en de plicht, die ze hebben op zich ge nomen, ja zelfs hun godsdienst, is weerstand te bieden aan alle verandering in die richting. Evenmin hebben ze als individuen eenig begrip van middelen om hun levensonderhoud zelf te ver dienen, indien ge zoudt ophouden hun te onderhouden, voordat ge begonnen zijt een nieuwe wereld op te bouwen, waarin zij een plaats zouden vinden, zoo goed als alle anderen. Daarom is het onmogelijk, dat een verandering van boven af kan wor den gemaakt. Neen, van de klasse, die noodzakelijk is voor hetgeen er nog samen hangt, dat werkelijk op een maatschappij gelijkt, achter de monsterachtige machinerie van het Monopolie, van de arbeiders zelf, zal de verandering moeten komen. En een der oogmerken van de socialistische propaganda is, te be werken dat die verandering zal worden tot stand gebracht of minstens geleid, door het bewust streven der arbeiders en niet heelemaal overgelaten worde aan de blinde krachten van honger, ellende en wanhoop, die door het kapitalistische sfelsel voortdurend opgehoopt worden en waarmee dit stelsel zijn eigen graf graaft. Buiten alle bewuste inmenging in de politiek, buiten alle aarzelende stappen links en rechts, van een onrijpe demokratie, waardoor de weg naar de revolutie ontegenzeggelijk gebaand wordt, is de tijd nabij waarin het monopolie van de arbeidsmiddelen haar waarde verliezen zal en de werkgevers een begin zullen maken, om het werkgeven te staken. De hals brekende concurentie, het steeds goedkooper voortbrengen, de uitgeputte markten aan de eene zijde, en aan de andere zijde de onophoudelijke strijd van de arbeiders om hun levensvoor waarden te verbeteren ten koste der kapitalisten, zal het moeilijker maken zoowel om werk te krijgen als om in staat te zijn arbeiders in dienst te nemen. Dood en ondergang zal de uitkomst zijn, ondanks alle mogelijke verbeteringen op gebied van handel en nijverheid. Doch indien de arbeiders geleerd hebben hun toestand te begrijpen, dat wil zeggen, als zij het besluit genomen hebben om zoo goed mogelijk partij te trekken van de natuur, die zij--ondanks dekunstmatige beperking van den arbeid ten voordeele eener klasse--reeds zoover hebben veroverd, dan behoeven zij de komende krisis niet te vreezen. Diezelfde groote toeneming der produktiviteit van den arbeid, waardoor het kapitalisme te gronde gericht wordt, zal het socialisme mogelijk maken en het lijdt geen twijfel of het goed kooper worden van de voortbrenging zal nog verbazend toenemen in den aanvang van de nieuwe maatschappelijke orde. Dan zal het leven gemakkelijk genoeg voor ons allen zijn, enkele jaren na den tijd, toen we het zoo moeiljik vonden om winsten te maken.

         [p. 15] Toch zou ik het niet kunnen verantwoorden, indien het scheen alsof ik de meening zou trachten te verbreiden, dat de afschaffing van het Monopolie, van de kunstmatige beperking der produktie, op vredelievende wijze vanzelf zal komen, zonder krachtige pogingen op verschillend gebied. Wat we tegenwoordig overal ontwaren moedigt niet aan tot het aannemen dier onderstelling. We zien huichelarij waar de beweging zwak van kracht lijkt of beperkt van gezichtskring, doch daarentegen gewetenlooze en onmeedoogende onderdrukking overal waar zij een dreigende gestalte aanneemt en goed op de hoogte blijkt. Er is geen denken aan dat de bevoorrechten een zier zullen toegeven zonder dat ze daartoe worden gedwongen. Herinner u wel, dat al onze wettenmakerij en regeering, van het parlement tot den gemeente raad, een doorwrochte verdediging geworden is van dat groote Monopolie, dat wij tot taak hebben uit den weg te ruimen, aan gezien de heerschende klasse, de regeering en de parlementen er nooit aan zullen of kunnen denken met die opruiming een begin te maken. Het is waar, dat indien de heele arbeidersklasse op één dag of in één jaar kon worden overtuigd van de nood zakelijkheid der afschaffing van het Monopolie, het verdwijnen zou als de wolken van den nachtelijken hemel. De nood van den paria echter en de begeerte van den verstandige, zullen het langzamer proces van trapsgewijze bekeering voorbijloopen, en de anti monopolisten zullen zich in een positie bevinden, waarin ze gedwongen zullen zijn om te trachten zich van de uitvoerende macht meester te maken, ten einde die te vernietigen en zoo de maatschappij van vorm te doen veranderen--niet echter om met die uitvoerende macht zelf te gaan regeeren zooals men thans hen regeert. Kortom, ze zullen alle kunstmatige beperking uit den weg moeten ruimen, die aan den vrijen arbeid in den weg staat en ze zullen dezen stap op een of andere manier moeten dwingen. De lieden, die deze noodzakelijkheid voor oogen hebben, zullen het ongetwijfeld op het oogenblik nog oneens zijn over de middelen die ze daartoe zullen aanwenden; doch in ieder geval zullen zij, wanneer de tijd voor handelend optreden aanbreekt, erkennen dat alle middelen dienstig zijn, die werkelijk middelen en die niet onmenschelijk zijn.

         Ik heb dus getracht u aan te toonen dat de voortbrengende of nuttige klasse een mindere plaats inneemt dan de niet-voort-brengende of onnutte klasse, en dat dit het tegenovergestelde is van de natuurwet die allen gebiedt te werken en te leven. Ik heb aangetoond dat deze monsterachtigheid het noodzakelijk ge volg is van het feit, dat aan individuen veroorloofd wordt de zaken, die noodzakelijk zijn om den arbeid vruchtbaar te maken, te beschouwen als hun eigendom en die zaken te misbruiken [p. 16] door ze blootelijk aan te wenden als dwangmiddelen, om dien arbeider te noodzaken tot het betalen van een schatting, wil hij verlof hebben tot leven. Ik heb u verzocht om met ons socialisten te leeren erkennen dat de afschaffing van dit Mono polie noodzakelijk is, en u te vereenigen voor die afschaffing en voor het weder opbouwen der maatschappij op den grondslag van vrijheid van den arbeid en afschaffing van alle bevoor rechting. Ik moet daar nog bijvoegen, dat geen enkel program waard is dat de arbeidende klasse het aanneemt, indien zulk een program terugdeinst voor de afschaffing van het privaat-bezit der arbeidsmiddelen. Ieder ander program is een oneerlijke misleiding, het toont twee aangezichten waarvan het ééne tot den werkman zegt: "Dit is socialisme of het voert tot socialisme" (wat niet waar is), terwijl het andere aangezicht tot den kapi talist zegt: "Dit is valsch socialisme; indien ge de arbeiders of een gedeelte hunner, ertoe kunt bewegen dit aan te nemen, zal er een nieuwe lagere middelklasse ontstaan, een soort buffer tusschen Voorrecht en Socialisme in, en ge zijt gered, al is het slechts voor een korten tijd."

         Doch dit ware program, dat streeft naar de afschaffing der bevoorrechting, is toereikend, want het moet en zal regelrecht tot het socialisme voeren. Het zal den kop indrukken aan den kapitalistischen draak, en een maatschappij mogelijk maken die op gelijkheid berust; een maatschappij waarin we niet meer zullen leven te midden van vijanden, en een staat van zaken die slechts kan worden genoemd een soort gewapende vrede tusschen alle menschen, doch waarin we leven zullen als vrien den en buren, met wie we wel door onze hartstochten en onze dwaasheid soms twisten kunnen, doch wier belangen nooit kun nen worden afgescheiden van onze belangen.